Navigatie
← Terug naar overzichtAanvraag en voorbereiding
#
Artikel 110 WBR - Vereisten
#Lid 1
Een rechtszaak mag worden aangevraagd door een persoon of groep, dan wel hun advocaat, tegen een andere persoon of groep, mits zij beide instemmen hun zaak voor te leggen aan een rechter.
De plicht tot instemming vervalt wanneer:
a. het een zaak is tegen een rechtspersoon belast met overheidsgezag;
b. wanneer de eis betrekking heeft op een waarde hoger dan: €10.000;
Lid 2
De rechtbank is ongeacht lid 1 bevoegd om een zaak te weigeren.
Artikel 111 WBR - Eis
#Lid 1
Indien de rechtbank heeft ingestemd met een civiel proces, zal de eiser zo snel mogelijk een dagvaarding opsturen naar de gedaagde, dan wel diens advocaat, en naar de rechtbank.
Lid 2
Een dagvaarding bestaat uit:
a. de naam en andere relevante gegevens van de eiser;
b. de naam en andere relevante gegevens van de gedaagde;;
c. de voorgenomen vordering;
d. de reden waarom deze vordering wordt gedaan;
Lid 3
De gedaagde mag na het ontvangen van de dagvaarding tegenvorderingen doen. Welke op zijn laatst meegezonden mogen worden met het dossier.
Lid 4
De eiser dan wel gedaagde mag de dagvaarding dan wel tegenvordering immer afzwakken tot en met het moment waarop de zitting is begonnen.
De eiser dan wel gedaagde mag tot drie dagen voor de zitting de dagvaarding dan wel tegenvordering verzwaren zonder toestemming van de rechtbank.
Artikel 112 WBR - Agendering van de zaak
#Lid 1
Na het ontvangen van de vorderingen zal de rechtbank:
a. met de aanklagende en de aangeklaagde partij proberen in te schatten hoe groot de zaak wordt en hoeveel tijd er nodig gaat zijn;
b. een of meerdere zittingsmomenten inplannen om de zaak te behandelen;
Lid 2
Het inplannen van zittingsmomenten dient aan de volgende eisen te voldoen:
a. het aantal zittingsmomenten blijft zoveel mogelijk beperkt voor de praktische uitvoerbaarheid van de rechtspleging;
b. de zittingsmomenten zijn voor zover mogelijk op zulke momenten gepland dat er voldoende tijd is voor de voorbereiding van de zaak;
c. waar mogelijk toont de rechtbank flexibiliteit naar beide partijen, waarbij zij niet de plicht uit het oog verliest de zaak binnen redelijke termijn af te ronden;
Artikel 113 WBR - Geen gehoor
#Lid 1
Indien de aanklager en/ of de rechtbank geen reactie krijgt vanuit de aangeklaagde partij nadat deze overduidelijk de vordering heeft ontvangen en er minstens één week is verstreken, kan de rechtbank besluiten de zaak voorwaardelijk bij verstek te behandelen.
Lid 2
Bij een voorwaardelijke verstekbehandeling wordt de aangeklaagde partij niet meegenomen in de voorbereiding van de zaak en heeft deze geen inspraak op het moment waarop eventuele zittingsmomenten zullen plaatsvinden.
Lid 3
Indien de rechtbank en/of de aangeklaagde partij geen reactie krijgt van de aanklagende partij en er minstens één week verstreken is dan wel wanneer er reeds een moment is, vastgesteld voor een behandeling van de gerechtelijke procedure, kan de rechtbank besluiten de zaak voorwaardelijk als niet-ontvankelijk te behandelen.
Lid 4
Bij een voorwaardelijke niet-ontvankelijkheidsbehandeling wordt de aanklagende partij niet meegenomen in de voorbereiding van de zaak en heeft deze geen inspraak op het moment waarop de behandeling van de zaak zal plaatsvinden. Tevens zal de aanklager definitief niet-ontvankelijk worden verklaard indien hij niet van zich heeft laten horen op het moment dat de procedure aanvangt en daar ook niet aanwezig is.
Lid 5
De voorwaardelijke verstek- en niet-ontvankelijkheidsbehandeling is niet langer toegestaan zodra er alsnog een reactie volgt voor de behandeling van de zaak is afgerond, niet zijnde het beslissen over dan wel uitspreken van een oordeel door de rechter.
De rechtbank mag besluiten een voorwaardelijke verstek- dan wel niet-ontvankelijkheidsbehandeling door te zetten indien er een zitting gepland staat en de niet-reagerende partij 24 uur van tevoren kenbaar maakt er niet bij te kunnen zijn en geen gegrond argument heeft waarom de reactie uitbleef. Dit geldt tevens als de niet-reagerende partij alsnog verschijnt op zitting.
Artikel 114 WBR - Dossier
#Lid 1
Vijf dagen voor het eerste zittingsmoment levert de eiser het dossier aan, bij de rechtbank en de gedaagde partij. Met daarin:
a. de te gebruiken bewijsstukken;
b. een lijst met te horen getuigen;
c. een overzicht van de opbouw van de eventuele kosten van de vordering;
Lid 2
Drie dagen voor het eerste zittingsmoment levert de gedaagde het dossier aan, bij de rechtbank en de eisende partij. Met daarin:
a. aanvullende bewijsstukken;
b. een lijst met te horen getuigen;
c. een overzicht van de opbouw van de eventuele tegenvordering, mits deze kosten met zich meebrengt;
Lid 3
Bewijzen en getuigen mogen worden teruggetrokken, toegevoegd of, indien de aard dat toelaat, gewijzigd worden tot op een dag voor de zitting waarop zij behandeld wordt.
Artikel 115 WBR - Toelating getuigen
#Lid 1
Uiteindelijk besluit de rechtbank over de te horen getuigen. De rechtbank mag besluiten een getuige niet te horen indien:
a. dit geen toegevoegde waarde heeft;
b. de getuigen aantoonbaar twijfelachtig is of is geweest;
c. het omwille van de tijd niet mogelijk of wenselijk is een getuige te horen;
Lid 2
Indien een getuige niet gehoord wordt door de rechtbank, kan diens verklaring wel op schrift worden gesteld om meegenomen te worden in de bewijslast.
Lid 3
De partij die een getuige inbrengt, is verantwoordelijk voor het aanwezig laten zijn van die getuige op het daarvoor aangewezen zittingsmoment.
Artikel 116 WBR - Wijziging en te late inbreng
#Lid 1
Het staat de rechtbank vrij om de aangegeven tijdslimieten te negeren in het belang van de rechtspleging. Zij mag tot op het einde van de behandeling van de zaak oordelen over de toelaatbaarheid van bepaalde acties.

