Wetboek van strafvordering

Wetboek van strafvordering

Wetboek

Nederbeek

Navigatie

← Terug naar overzicht

Wetboek van strafvordering

#

Algemene bepalingen strafvordering

#

Artikel 1 Sv. - Gestapelde aanklacht

#

Lid 1

De aanklacht tegen een verdachte mag niet meer worden gewijzigd vanaf het moment dat deze wordt voorgelegd aan een magistraat met als doel de definitieve schuld en straf van een verdachte te laten beoordelen. Hieronder wordt niet verstaan het verhoor dat vooraf plaats vindt om de schuld van de verdachte vast te stellen.

Lid 2

Indien een magistraat een verdachte vrijspreekt van de in de aanklacht benoemde feiten dan mag conform artikel 2 Sr. lid 2 geen verdere vervolging voor die gedragingen opnieuw worden geopend, behoudens de wettelijke uitzonderingen.

Lid 3

Een aanklacht bevat altijd de strafbare gedragingen van verdachte en de ten laste gelegde feiten.

Lid 4

Een aanklacht mag tevens alternatieve feiten bevatten waarover de magistraat een oordeel kan vellen indien hij besluit dat één of meerdere ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn.

Artikel 2 Sv. - De rechten van een arrestant

#

Lid 1

Een individu wordt een arrestant op het moment dat hij succesvol is aangehouden krachtens een rechtsgeldig arrestatiebevel dan wel op heterdaad is aangehouden.

Lid 2

Een arrestant heeft krachtens de wet onvervreemdbare rechten die hem terstond medegedeeld moeten worden, dan wel binnen redelijke termijn:
a.     de arrestant heeft het recht om te zwijgen;
b.     de arrestant heeft het recht op, zelfstandig verworven, rechtsbijstand; 

Tevens heeft een arrestant rechten die hem niet geweigerd mogen worden maar, die hem niet medegedeeld hoeven te worden:
c.     de arrestant heeft recht op medische hulp en het verkrijgen van eerste levensbehoefte;
d.     de arrestant heeft recht op een tolk;

Lid 3

De arrestant moet nadat hij is gearresteerd zo snel mogelijk op de hoogte worden gesteld van zijn rechten, indien dit niet ter plaatse kan gebeuren dan gebeurt het zo snel mogelijk daarna. In elk geval is de arrestant op de hoogte gesteld van zijn rechten voordat hem enige vragen gesteld mogen worden met betrekking tot het feit of de feiten waarvan hij verdacht wordt, niet zijnde het vaststellen van de identiteit van de arrestant.

Onderzoek

#

Artikel 10 Sv. - Reden onderzoek

#

Lid 1

Strafrechtelijk onderzoek kan worden ingesteld nadat:
a.     een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie een aangifte ontvangt, dit recht vervalt op het moment dat deze aangifte wordt ingetrokken dan wel herroepen. Echter geldt dit niet meer op het moment dat er al sporen zijn aangetroffen van een strafbaar feit of er spraken lijkt te zijn van een onvrijwillige intrekking;
b.     een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie tijdens of na een arrestant aangehouden te hebben het feit verder wil onderzoeken;
c.     een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie kennis neemt van een gepleegd strafbaar feit;

Artikel 11 Sv. - Aangifte

#

Lid 1

Een aangifte kan zowel bij een ambtenaar van een opsporingsinstantie als een lid van het openbaar ministerie schriftelijk of mondeling, met een transcript op ambtseed, worden ingediend.

Lid 2

Hoewel de opsporingsinstanties dan wel het openbaar ministerie niet verplicht zijn direct te handelen op een aangifte, zijn zij wel gehouden aan de plicht om elke aangifte als waar te beschouwen en daarmee serieus te nemen. Deze verplichting vervalt bij het blijken van een of meerdere onwaarheden die de rest van de aangifte ongeloofwaardig maken.

Lid 3

Een aangifte intrekken mag slechts in die gevallen waarbij:
a.     de aangever uit eigen vrije wil niet langer wrok koestert tegen de vermeende, dader;
b.     de aangever een schrijf, dicteer of door verwardheid een fout heeft gemaakt en deze wil intrekken of corrigeren;

Lid 4

Een aangifte dient te bevatten:
a.     de naam van de aangever;
b.     een beschrijving van hetgeen er gebeurd is;
c.     een verklaring waarin de aangever stelt dat hij of zij op de hoogte is van mogelijke vervolging op grond van artikel 171 wetboek van strafrecht;

Afwezigheid van een van deze vormvereisten is geen grond tot onrechtmatigheid van de aangifte, behalve de vereiste van lid 1 onder a.

Artikel 12 Sv. - Heterdaad

#

Lid 1

Er is slechts sprake van een heterdaad wanneer:

a.     een ambtenaar strafbare gedragingen waarneemt;

b.     en zij met zekerheid kunnen zeggen dat degene die zij aanhouden de ene is die het feit heeft gepleegd;

Artikel 13 Sv. - Vernemen strafbaar feit

#

Lid 1

Een opsporingsambtenaar dan wel het openbaar ministerie kan kennisnemen van een strafbaar feit door:

a.     zich op een plek te bevinden waar sporen van een strafbaar feit te zien, te vinden dan wel gevonden zijn;

b.     op basis van een anonieme melding;

c.     op basis van verklaringen of getuigenissen die wijzen naar een plek waarop het gestelde onder a van toepassing is;

Artikel 14 Sv. - Bevoegdheid onderzoek

#

Lid 1

Opsporingsambtenaren zijn onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van onderzoek in de gevallen die zijn beschreven in artikel 10 Sv. 

Lid 2

Het openbaar ministerie mag middels regelingen en voorschriften afwijken van dit artikel en opsporingsambtenaren middels dergelijke regelingen of voorschriften blijvende toestemming verlenen tot het doen van bepaalde strafrechtelijke onderzoeken;

Artikel 15 Sv. - Inperking

#

Lid 1

De bepalingen van deze titel kunnen worden ingeperkt, overgedragen of worden voorzien van extra criteria, krachtens besluiten, regelingen of voorschriften.

Lid 2

De instanties bevoegd tot het opstellen van dergelijke voorschriften zijn in toenemende mate van ondergeschiktheid:

a.     het openbaar ministerie;

b.     een opsporingsinstantie;

Lid 3

De wet kan eisen stellen aan het gebruik of het moment dan wel wijze waarmee een bepaalde bevoegdheid mag worden ingezet. 

Artikel 16 Sv. - Bevoegdheden strafrechtelijk onderzoek

#

Lid 1

Opsporingsambtenaren beschikken over de volgende bevoegdheden gedurende een onderzoek:

a.     open bronnenonderzoek;

b.     het inroepen van een plaats delict dan wel het afzetten van een gebied om bewijs veilig te stellen;

c.     het in beslag nemen van eigendommen;

d.     het doorzoeken dan wel onderzoeken van in beslag genomen voorwerpen;

e.     fouilleren of ander lichamelijk onderzoek zoals beschreven in hoofdstuk 3 van de ambtsinstructie;

f.     het afnemen van tests op verdovende middelen;

g.     het opstellen van getuigenverklaringen;

h.     het afnemen van een verhoor;

i.     alle bevoegdheden die uit andere wetten blijken en die bijdragen aan het strafrechtelijk onderzoek vallen ook onder dit lid, behoudens uit die wet blijkende restricties.

Lid 2

De leden van het openbaar ministerie zijn gedurende een strafrechtelijk onderzoek verantwoordelijk voor het uitgeven van de volgende bevoegdheden:

a.     alle bevoegdheden van opsporingsambtenaren zoals bedoeld onder lid 1,

b.     het in beslag nemen van elektronische voorwerpen dan wel de inhoud daarvan, waarvan vermoed wordt dat daar bewijsmateriaal op staat;

c.     het afnemen van een schotrestenonderzoek;

d.     het doen van een binnentreding;

e.     het doen van huiszoekingen;

f.     het observeren van, mogelijke, verdachten;

g.     het uitvoeren van een sting operatie;

Vrijheidsontneming

#

Artikel 20 Sv. - Staande houding

#

Lid 1

Een opsporingsambtenaar is bevoegd een persoon of transportmiddel staande te houden om diens identiteit vast te stellen, dan wel om een overtreding begaan door die verdachte te sanctioneren. 

Lid 2

Een staande houding gebeurt in beginsel enkel wanneer er een redelijk vermoede van schuld is ten aanzien van een strafbare gedraging die begaan is door de verdachte die wordt staande gehouden.

Hiervan zijn uitgezonderd de volgende situaties:

a.     een algemene controle in het verkeer uitgevoerd door een opsporingsambtenaar;

b.     algemene controle van identiteitsbewijzen of personen die zich bevinden in een gebied waarvoor een machtiging tot preventief fouilleren is afgegeven

Lid 3

Na het vaststellen van de onschuld van een verdachte dan wel het hebben afgehandeld van een overtreding is een staande gehouden verdachte daarna vrij om zijn weg te vervolgen.

Lid 4

Het bepaalde onder lid 3 vervalt in die gevallen waarin een opsporingsambtenaar niet instaat is de identiteit van de staande gehoudene vast te stellen. In die gevallen is de opsporingsambtenaar bevoegd de staande gehoude persoon af te voeren naar een locatie waar diens identiteit middels aanvullend onderzoek vastgesteld kan worden en de staande gehoude persoon daar te houden tot de identiteit is vastgesteld.

Artikel 21 Sv. - Aanhouding

#

Lid 1

Een opsporingsambtenaar is bevoegd een verdachte aan te houden wanneer er:
a.     een redelijk vermoede van schuld bestaat ten aanzien van een strafbaar feit;
b.     na een staande houding blijkt dat de verdachte zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf;
c.     wanneer een verdachte meermaals een stopteken negeert of wegvlucht van een opsporingsambtenaar en staande houding geen redelijke optie is;

Lid 2

In beginsel kan voor zowel een overtreding als misdrijf een aanhouding worden verricht,  echter is een opsporingsambtenaar bevoegd strafbeschikking van overtredingen af te doen in een staande houding.
Bij een misdrijf vindt echter altijd een aanhouding plaats.

Lid 3

Hoewel een aanhouding in beginsel wordt toegepast als voldaan is aan één van de criteria benoemd in lid 1 is een opsporingsambtenaar bevoegd om te kiezen voor een staande houding.

Lid 4

Een aangehouden verdachte wordt:
a.     afgevoerd naar een arrestantencomplex;
b.     daar gecontroleerd op diens identiteit indien dit nog niet gebeurd is;
c.     onderworpen aan verdere strafrechtelijke vervolging;

Lid 5

Indien een aan te houden verdachte wegvlucht of wanneer een opsporingsambtenaar een strafbaar feit ziet gebeuren op of in een plek dan wel ruimte die niet zomaar voor iedere burger toegankelijk is dan wel is afgesloten of vergrendeld, krijgt de opsporingsambtenaar van rechtswege de bevoegdheid tot binnentreding met als doel het bijstaan van eventuele slachtoffers en het aanhouden van de verdachte.

Vervolging

#

Artikel 30 Sv. - De verdachte

#

Lid 1

Als verdachte wordt aangemerkt hij tegen wie vervolging ten aanzien van een strafbaar feit is aangevangen.

Lid 2

Vervolging is aangevangen op het moment dat een individu:

a.     aangehouden is voor een strafbare gedraging;

b.     verhoord wordt 

c.     een dagvaarding heeft ontvangen voor diens terechtzitting;

Bewijsmaterieel

#

Artikel 41 Sv. - Bewijsminimum

#

Lid 1

Geen feit is bewezen op grond van slechts één bewijsmiddel.

Slechts een verklaring van een opsporingsambtenaar op eed gesteld mag dienen als genoeg bewijs om iemand te veroordelen voor en strafbaar feit voor zover het bewijs hier toereikend genoeg voor is.

Artikel 42 Sv. - Bewijsmiddelen

#

Lid 1

Als wettig en overtuigend bewijs wordt aangemerkt:

a.     al het rechtmatig verkregen bewijs dat is verkregen middels strafrechtelijk onderzoek;

b.     bewijsmateriaal dat is verkregen met rechtmatig gebruikte en uitgevoerde bevoegdheden;

c.     getuigenverklaringen;

Artikel 43 Sv. - Getuigenverklaring

#

Lid 1

Bij het opstellen van een getuigenverklaring stelt de ambtenaar deze onder ambtseed op namens de getuigen. Een getuige verklaring dient te bevatten:

a. de naam van de getuige;

b. een beschrijving van hetgeen wat er gebeurd is;

c. de eventuele persoonlijke verhouding die de getuige heeft met een van de betrokkenen;

d. afwezigheid van een van deze vormvereisten is geen grond tot onrechtmatigheid van de getuigenverklaring, behalve de vereiste van lid 1 onder a.

Lid 2

Het valselijk afleggen van een getuigenis wordt voor de wet gelijkgesteld als het doen van een valse aangifte zoals bedoeld in artikel 141 wetboek van strafrecht,

Veroordeling

#

Artikel 50 Sv. - Schuldigheidsbevinding

#

Lid 1

Een verdachte mag slechts schuldig worden bevonden aan een strafbaar feit, indien er:

a.     voldoende wettig bewijs is om de beschreven strafbare gedraging te bewijzen;

b.     voldoende overtuiging leeft bij de ambtenaar die iemand schuldig bevindt aan een strafbaar feit, omtrent de vraag of de verdachte het feit wel gepleegd heeft;

c.     er geen wettelijke gronden zijn waarop schuldig bevinding aan een strafbaar feit niet meer mogelijk is dan wel die het feit rechtvaardigen;

Lid 2

Voor de overtuiging zijn drie zaken wettelijk van belang:

a.     de oordelend ambtenaar dient voor zover mogelijk inzicht te krijgen in het motief van de verdachte;

b.     de oordelend ambtenaar dient vast te stellen of de verdachte in de gelegenheid was om het strafbare feit te plegen;

c.     de oordelend ambtenaar dient het aantal en de waarschijnlijkheid van alternatieve scenario's te overwegen;

Afwezigheid van één of meerdere van deze punten hoeft niet direct te leiden tot vrijspraak voor het ten laste gelegde.

Artikel 51 Sv. - Rechtspraak

#

Lid 1

In beginsel is een rechter als enige bevoegd om te oordelen over de schuldbevinding aan een strafbaar feit.

Lid 2

Echter verkrijgt hij deze bevoegdheid pas op het moment dat:

a.     het Openbaar Ministerie een verdachte dagvaard;

b.     een verdachte zijn zaak wil laten beoordelen door een onafhankelijke rechter;

Lid 3

De rechtbank heeft echter de bevoegdheid om een voorgelegde zaak niet te behandelen indien:

a.     de rechtbank het niet van belang acht een zaak aan te horen;

b.     geen redenen ziet om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het Openbaar Ministerie;

c.     het niet wenselijk, dan wel mogelijk acht om op redelijke termijn te oordelen over een zaak

Daarnaast is de rechtbank bevoegd om regelingen op te stellen omtrent de criteria die zij stellen aan het mogelijk horen van een zaak en op grond waarvan het Openbaar Ministerie dan wel een opsporingsambtenaar een verzoek aan de rechter mag afwijzen als ware het een besluit van de rechtbank.

Artikel 53 Sv. - Voorgeleiding bij een hulp Officier van Justitie

#

Lid 1

Een aangehouden verdachte dient altijd voorgeleid te worden aan een hulp Officier van Justitie. Die niet betrokken is geweest bij de aanhouding, de bewijsvergaring of een eventueel strafrechtelijk onderzoek.

Lid 2

De Hulp Officier van Justitie hoort de verklaringen van de opsporingsambtenaar aan en weegt de bewijslast. Daarnaast hoort deze de verdachte.

Lid 3

De Hulp Officier van Justitie velt vervolgens een oordeel over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezen is en zo ja legt een passende straf op. Daarbij houdt de Hulp Officier van Justitie rekening met:

a.     de persoonlijke omstandigheden en aard van de verdachte;

b.     eventuele fouten die zijn gemaakt door opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie;

c.     de ernst en/ of de maatschappelijke impact van het bewezen feit dan wel de wijze waarop dit gepleegd is;

d.     alle andere zaken die voor een passende strafmeting van belang kunnen zijn;

Artikel 54 Sv. - Voorgeleiding bij een Officier van Justitie

#

Lid 1

Slechts in de volgende gevallen mag een zaak worden voorgeleid aan een Officier van Justitie:

a.     indien er geen, geschikte, hulp Officier van Justitie beschikbaar is;

b.     indien het een zaak betreft waarbij het Openbaar Ministerie voor langere tijd onderzoek gedaan heeft;

c.     indien een Officier van Justitie een voorgeleiding wenst over te nemen;

Daarnaast dient een Officier van Justitie betrokken te worden bij elke voorgeleiding waarbij een klacht of onenigheid bestaat over het handelen van de hulp Officier van Justitie.

Lid 2

De Officier van Justitie heeft bij een voorgeleiding dezelfde rechten en plichten als een hulp Officier van Justitie. 

Een Officier van Justitie kan echter in het geval van een klacht of onenigheid besluiten zich alleen te mengen in het punt waar de klacht of de onenigheid over gaat en de voorgeleiding verder over te laten aan de hulp Officier van Justitie.

Artikel 55 Sv. - Strafbeschikking vanuit de politie

#

Lid 1

Indien er geen lid van het Openbaar Ministerie is om een zaak aan voor te geleiden is een opsporingsambtenaar bevoegd om een strafbeschikking op te leggen waarmee hij een verdachte schuldig bevind aan een volgens hem bewezen feit.

Lid 2

Hierbij gedraagt de opsporingsambtenaar zich, voor zover van hem verwacht mag worden, redelijk ten opzichte van het wegen van het bewijs en de uiteindelijke bewezenverklaring.

Lid 3

Het is een opsporingsambtenaar niet toegestaan om een andere straf op te leggen dan de hoofdstraf die door de wet op een strafbaar feit is gesteld.

Bevoegdheden en machtigingen

#

Artikel 60 Sv. - Openbronnenonderzoek

#

Lid 1

Onder openbronnenonderzoek wordt verstaan:

a.     het doorzoeken van voor het publiek toegankelijke bronnen van informatie;

b.     het gebruiken van vastgestelde en voor het publiek bekende feiten van algemene aard;

c.     het gebruiken van wetenschappelijk onderzoek;

d.     het gebruiken van informatie die vrijwillig en zonder enig uitdrukkelijk verzoek verkregen is;

e.     informatie die opgeslagen staat in politie systemen dan wel andere strafrechtelijke informatie;

Lid 2

Het doel van een openbronnenonderzoek is het aanvullen van de bewijslast ten aanzien van een verdachte en teven het opsporen van mogelijke misdragingen dan wel verdachte feiten die nader strafrechtelijk onderzoek nodig kunnen hebben.

Artikel 61 Sv. - Plaatsdelict

#

id 1

Het inroepen van een plaatsdelict houdt in dat:

a.     een plek of ruimte dan wel de toegang tot die plek of ruimte voor enige tijd mag worden afgeschermd met een lint, zegels, voertuig(en), person(en) of op andere wijze;

b.     mogelijk bewijsmateriaal beschouwd, onderzocht, meegenomen  en/of in beslag genomen mag worden van die plek;

c.     eventuele lijken of gewonde personen, beschouwd, onderzocht en verder medisch worden verwerkt. Voor zover hier door het geldende recht geen beperkingen aan worden gesteld;

d.     het tijdelijk verbieden of stop zetten van, voorgenomen, wijzigingen ten aanzien van objecten of plaatsen die als geheel als bewijsmateriaal worden gezien, maar door hun aard niet te verplaatsen zijn;

Lid 2

Het inroepen van een plaats delict mag enkel gebeuren wanneer er minstens een vermoede bestaat dat er op de aan te wijze plek bewijsmateriaal aanwezig is wat kan leiden tot of bijdragen aan een vervolging voor een strafbare gedraging dan wel als tegenbewijs kan dienen voor eventuele verdenkingen tegen verdachte. 

Lid 3

Een plaats delict mag worden ingeroepen door elke ambtenaar van politie. En mag ook enkel door hun en leden van het Openbaar Ministerie zonder voorafgaande toestemming en zonder begeleiding worden betreden.

Lid 4

Een plaats delict dient zo snel mogelijk weer ter beschikking te worden gesteld aan de eigenaar of het publiek, voor zover dit daarvoor ook het geval was. De politie is bevoegd een plaats delict voor maximaal 1 uur nadat de plaats delict is ingeroepen te handhaven. Daarna dienen zij zo snel mogelijk, maar minstens binnen 24 uur toestemming te krijgen van het Openbaar Ministerie. Welke deze plaats delict voor maximaal 7 dagen mag handhaven waarna opnieuw een beoordeling dient plaats te vinden.

Een Officier van Justitie mag een plaats delict opheffen of de beperkingen die deze plaats oplegt inperken op elk gewenst moment. Daarbij dient de afweging van de waarheidsvinding en de zuiverheid van het strafrechtelijk onderzoek afgewogen te worden tegen de publieke en private inbreuk die het plaats delict met de van kracht zijnde beperkingen maakt.

Artikel 62 Sv. - Inbeslagname

#

Lid 1

De volgende roerende zaken mogen in beslag genomen worden:

a.     voertuigen voor zover zij al niet in beslag genomen mochten worden krachtens de wet of andere regelingen;

b.     Die zaken waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij betrekking hebben op een strafbaar feit;

c.     Al dan niet elektronische gegevensdragers of de inhoud daarvan, waaronder bedrijfsadministratie;

d.     Die voorwerpen die strafbaar zijn gesteld;

e.     Die voorwerpen die de waarheidsvinding dienen;

Lid 2

Het in beslag nemen van roerende zaken mag enkel om de volgende redenen:

a.     voor onderzoek aan, op, in of ten aanzien van deze voorwerpen;

b.     als pressie middel, wanneer een verdachte nog niet vastgezet is

c.     ter preventie van andere strafbare feiten;

d.     als onderpand voor mogelijke schadeclaims, boetes of andere geldelijke kosten gerelateerd aan een strafbaar feit;

e.     om een strafbaar voorwerp uit de samenleving te verwijderen;

f.     als herstel of compensatie van strafbare gedragingen;

Lid 3

Roerende zaken mogen in beginsel door elke opsporingsambtenaar in beslag genomen worden. Zolang zij een verdachte op heterdaad hebben betrapt op het plegen van een strafbaar feit waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze zaken betrekking hebben op het gepleegde strafbare feit of wanneer zij ten aanzien van een strafbaar feit een plaats delict hebben ingeroepen en de in te nemen zaken zich op dit plaats delict bevinden.

Indien een opsporingsambtenaar buiten deze situaties om de bevoegdheden van dit artikel wil gebruiken dienen zij daarvoor toestemming te vragen aan het Openbaar Ministerie middels een machtiging tot inbeslagname.

Lid 4

In beslag genomen roerende zaken worden zo snel mogelijk maar op zijn laatst 5 dagen na een uiteindelijke uitspraak over het ten laste gelegde waarop het voorwerp betrekking heeft teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.

Artikel 63 Sv. - Inbeslagname voertuigen

#

Lid 1

De inbeslagname van voertuigen kan buiten de standaard gronden voor inbeslagname ook plaatsvinden op het moment dat er spraken is van:

a.     een voertuig dat 125% boven de toegestane snelheid reed;

b.     de eigenaar tot drie maal toe zonder rijbewijs is aangetroffen terwijl hij het voertuig bestuurde;

c.     de eigenaar tot tweemaal toe onder invloed van verdovende middelen heeft gereden;

d.     het voertuig niet voldoet aan de APK keuring dan wel andere veiligheidskeurmerken;

e.     er een WOK status is afgegeven op het voertuig en de eigenaar daarbij toch deelgenomen heeft aan het verkeer;

Lid 2

Een Officier van Justitie is bevoegd een voertuig voor maximaal 14 dagen in beslag te nemen.

Indien de noodzaak dan nog bestaat om een voertuig te houden kan een andere Officier van Justitie besluiten deze inbeslagname met nog eens 7 dagen te verlengen.

Waarna enkel de Hoofd Officier van Justitie nogmaals met 7 dagen de inbeslagname mag verlengen.

Deze bepalingen gelden echter niet wanneer een voertuig in beslag genomen is met het doel om als bewijs te dienen dan wel wanneer een voertuig is ingenomen ten einde een verzoek tot aanhouding te vergemakkelijken door de bewegingsmogelijkheden van de verdachte in te perken. In deze gevallen wordt het voertuig pas teruggegeven wanneer er geen spraken meer is van de noodzaak om het voertuig ten aanzien van deze belangen te houden en/ of er geen verlenging meer is aangevraagd krachtens de eisen van lid 1.

Artikel 64 Sv. - Doorzoeking roerende zaken

#

Lid 1

De volgende handelingen worden aangemerkt als een doorzoeking van roerende zaken:

a.     het door en nakijken van een transportmiddelen;

b.     het kijken en zoeken in een tas, koffer of ander voorwerp voor het transport van goederen;

c.     het bevoelen van verpakkingen van voorwerpen;

d.     het afnemen en onderzoeken van monsters of afdrukken;

e.     het doorzoeken en analyseren van gegevens;

Lid 2

Het doorzoeken van roerende zaken is enkel toegestaan wanneer:

a.     er een vermoede bestaat dat iemand zich schuldig maakt aan het bezitten van een wapen of drugs dan wel de handel daarin.;

b.     het een voorwerp betreft dat in beslag genomen is;

c.     indien iemand zich op de plek van een misdrijf bevindt of zich anderszins verdacht maakt;

d.     Indien een Officier van Justitie daarvoor toestemming geeft;

Lid 3

Behoudens de wettelijke uitzonderingen is een ambtenaar bevoegd om het onderzoek aan roerende zaken of aan de kleding uit te voeren. Behalve wanneer de eigenaar van deze spullen of de kleding een overheidsambt of advocaten ambt bekleed dan wel wanneer het Openbaar Ministerie restricties heeft gesteld aan het onderzoeken van bepaalde zaken. In die gevallen dient eerst toestemming van een Officier van Justitie verkregen te worden.

Lid 4

Een Officier van Justitie mag een ambtenaar van politie machtigen roerende zaken te onderzoeken, zoals beschreven in lid 1. Mits hij hiervoor een gemotiveerde en relevante reden heeft in het kader van strafrechtelijk onderzoek of opsporing. Waarbij dit belang opweegt tegen eventuele medische, maatschappelijke of andere relevante bezwaren.

Artikel 65 Sv. - Test verdovende middelen

#

Lid 1

Onder het afnemen van een test op verdovende middelen wordt verstaan:

a.     het afnemen van een blaastest;

b.     het afnemen van een speekseltest;

c.     het afnemen van bloedonderzoek;

Lid 2

Het afnemen van een blaas of speekseltest is enkel toegestaan, indien:

a.     er een redelijk vermoede ontstaat dat iemand verdovende middelen heeft gebruikt en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan een strafbare gedraging.

Het doen van bloedonderzoek is slechts geoorloofd, indien:

b.     de andere testen benoemd in dit artikel onvoldoende uitsluitsel geven over de vraag of iemand onder invloed is van verdovende middelen en de redelijke verdenkingen blijven bestaan;

c.     indien het voor de straftoemeting noodzakelijk is om vast te stellen welke hoeveelheid verdovende middelen nog aanwezig zijn in het lichaam;

Lid 3

Een blaas of speekseltest mag worden afgenomen door elke opsporingsambtenaar van politie.

Een bloedonderzoek mag enkel worden afgenomen met toestemming van het Openbaar Ministerie die de belangen van opsporing afweegt tegen de inbreuk op de onschendbaarheid van het lichaam  Dit onderzoek wordt uitgevoerd door een gecertificeerde arts in een besloten ruimte waar de juiste middelen aanwezig zijn;

Lid 4

In beginsel zijn alle testen benoemd in dit artikel op vrijwillige basis. Weigering mag enkel op basis van medische redenen die door een arts bevestigd moeten worden. Uiteindelijk beslist het OM of zij de test laten doorgaan. Echter mogen zij hierbij:

a.     een verdachte niet in levensgevaar brengen;

b.     een verdachte niet lichamelijk letsel berokkenen buiten het noodzakelijke letsel dat nodig is voor het uitvoeren van het onderzoek;
c.     een verdachte niet een hevige emotionele gemoedstoestand laten ervaren die niet opweegt tegen het belang van het afnemen van de test;

Artikel 66 Sv. - Verhoor

#

Lid 1

De uitvoerende ambtenaar dan wel ambtenaren zijn bij een verhoor bevoegd tot:

a.     het niet geheel of zelfs verdraaien van de werkelijkheid;

b.     de te verhoren persoon op te halen en ongeacht enige bezigheid, behoudens die welke levensgevaar kunnen veroorzaken, mee te nemen. Mits zij hiervoor een machtiging tot medebrenging dan wel aanhouding hebben;

c.     indien nodig een persoon voor maximaal 1 uur vast te zetten;

d.     indien het openbaar ministerie toestemming geeft, mag een verhoorde persoon voor 1 dag worden vastgehouden en deze bevoegdheid mag steeds opnieuw worden verleend tot een maximum van 3 dagen;

Lid 2

Een verhoor vindt slechts plaats in die gevallen waarbij sprake is van:

a.     een verdenking van een strafbaar feit;

b.     gegronde reden om te twijfelen aan iemands getuigenverklaring dan wel aangifte;

Lid 3

Een verhoor vindt altijd plaats in het bijzijn van het lid van het openbaar ministerie die de toestemming heeft gegeven dan wel een ander lid van het openbaar ministerie dat als diens waarnemer optreedt.

Indien zo is besloten door het openbaar ministerie kan een opsporingsdienst zelfstandig een verhoor uitvoeren zonder een lid van het openbaar ministerie.

Lid 4

Een te verhoren persoon is voor de wet niet noodzakelijkerwijs verdachte dan wel aangehouden. Enige niet gemeende of ongefundeerde uitlating of handeling die in strijd is met dit artikel is nietig.

Ongeacht het hierboven genoemde heeft een persoon die in verhoor zit het recht op rechtsbijstand als ware hij een aangehouden verdachte;

Tevens heeft een persoon in verhoor het recht om gebruik te maken van de rechten van een aangehouden verdachte als ware hij dit;

Artikel 67 Sv. - Schotrestenonderzoek

#

Lid 1

Een lid van het openbaar ministerie kan bevelen dat een verdachte wordt onderworpen aan een schotrestenonderzoek wanneer:

a.     er een verdenking bestaat dat die persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf waarbij een vuurwapen betrokken is geweest;

In die gevallen waarbij een persoon geen bezwaar heeft tegen het afnemen van de kruitsporen test is tevens de opsporingsambtenaar bevoegd om een schotrestenonderzoek uit te voeren.

Artikel 69 Sv. - Machtiging tot binnentreding

#

Lid 1

Een machtiging tot binnentreding verleend een ambtenaar de volgende bevoegdheden:

a.     het betreden of binnengaan van een locatie dan wel ruimte;

b.     het openmaken dan wel breken van deuren, luiken, panelen of het open maken dan wel verplaatsen van andere obstakels die de toegang tot die locatie of ruimte beletten;

c.     het rondkijken op de locatie dan wel in de ruimtes op die locatie;

d.     het in beslag nemen van voorwerpen die door de wet als strafbaar worden aangemerkt;

Lid 2

het Openbaar Ministerie verleend slechts een machtiging tot binnentreding indien er:

a.     een redelijke verdenking bestaat dat er op de te onderzoeken plek zaken liggen die in beslag genomen mogen worden conform artikel 62 Sv juncto 63 Sv;

b.     een vermoede dat er op een bepaalde plek een voortvluchtige, gezochte persoon of een verdachte zich verbergt of verborgen wordt gehouden;

Bij de afweging voor het toekennen van deze machtiging dient de impact van het schenden van de privacy, naast andere relevante belangen afgewogen te worden tegen de stelligheid van de verdenking en het nut van de doorzoeking. Dit geldt in het bijzonder bij het doorzoeken van woningen.

Lid 3

Een machtiging tot binnentreding mag worden uitgevoerd door elke opsporingsambtenaar al dan niet in aanwezigheid van een lid van het Openbaar Ministerie.

Lid 4

Het lid van het Openbaar Ministerie dan wel de hoogste ambtenaar van politie die aanwezig is bij de binnentreding is verplicht voor, tijdens of na de binnentreding de belanghebbende in kennis te stellen van de binnentreding. Als belanghebbende worden aangemerkt:

a.     de eigenaar van de te doorzoeken plek;

b.     diens vertegenwoordiger;

c.     relevante derde met een privacy belang;

Wanneer daarom verzocht wordt dient de inhoud van de machtiging te worden getoond, voorgelezen en/of doorgestuurd te worden.

Lid 5

Een machtiging tot binnentreding bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het Openbaar Ministerie die de machtiging toekent;
b.     de datum waarop de machtiging is afgegeven;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     de locatie of locaties waarop de machtiging tot binnentreding betrekking heeft;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de feitelijke doorzoeking;

f.     een motivering waarom wordt binnengetreden en met welk doel;

Lid 6

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot binnentreding is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 5 dagen;

Lid 7

Indien er spraken is van een noodsituatie worden de bevoegdheden van een machtiging tot binnentreding automatisch toegekend aan die ambtenaren die op deze noodsituatie reageren.

Artikel 70 Sv. - Machtiging doorzoeking

#

Lid 1

Een machtiging tot doorzoeking verleend een ambtenaar de volgende bevoegdheden:

a.     het binnentreden van de bedoelde plek;

b.     het openen en doorzoeken van al dan niet verborgen ruimte, holtes en voorwerpen, welke voor zover nodig en redelijk opengebroken mogen worden;

c.     het afzijdig stellen van de personen aanwezig op de plek die onderzocht wordt;

d.     het meenemen van voorwerpen waarop de machtiging betrekking heeft;

Lid 2

Het Openbaar Ministerie verleend slechts een machtiging tot doorzoeking indien er:

a.     een redelijke verdenking bestaat dat er op de te onderzoeken plek zaken liggen die in beslag genomen mogen worden conform artikel 62 Sv juncto 63 Sv.;

b.     een vermoede dat er op een bepaalde plek een voortvluchtige, gezochte persoon of een verdachte zich verbergt of verborgen wordt gehouden;

Bij de afweging voor het toekennen van deze machtiging dient de impact van het schenden van de privacy, naast andere relevante belangen afgewogen te worden tegen de stelligheid van de verdenking en het nut van de doorzoeking. Dit geldt in het bijzonder bij het doorzoeken van woningen.

Lid 3

Een doorzoeking vindt altijd plaats in de aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie die het bevel heeft uitgevaardigd dan wel een aangewezen plaatsvervangend lid van het openbaar ministerie.

Indien het Openbaar Ministerie dit vermeld in de machtiging kan een opsporingsdienst zelfstandig een machtiging uitvoeren zonder aanwezigheid van een lid van het Openbaar Ministerie.

Lid 4

Het lid van het Openbaar Ministerie dan wel de hoogste ambtenaar van politie die aanwezig is bij de doorzoeking is verplicht voor, tijdens of na een doorzoeking de belanghebbende in kennis te stellen van de doorzoeking. Als belanghebbende worden aangemerkt:

a.     de eigenaar van de te doorzoeken plek;

b.     diens vertegenwoordiger;

c.     relevante derde met een privacy belang;

Wanneer daarom verzocht wordt dient de inhoud van de machtiging te worden getoond, voorgelezen of doorgestuurd te worden.

Lid 5

Een machtiging tot huiszoeking bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het openbaar ministerie die de machtiging toekent;

b.     de datum waarop de machtiging is afgegeven;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     de locatie of locaties waarop de machtiging tot doorzoeking betrekking op heeft;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de feitelijke doorzoeking;

f.     een motivering waarom de locatie wordt doorzicht en met welk doel;

Lid 6

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot doorzoeking is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 5 dagen;

Artikel 71 Sv. - Machtiging tot observatie

#

Lid 1

Met een machtiging tot observatie is een opsporingsambtenaar bevoegd tot:

a.     het observeren en achterna gaan van een voertuig of persoon;

b.     het posten bij in- en uitgangen, bedrijven dan wel bij de woning van de geobserveerde;

c.     het inzetten van elektronica om gesprekken van de geobserveerde en derde af te luisteren;

d.     het plaatsen van camera's in de woning of andere belangrijke plekken van de geobserveerde;

Lid 2

Een machtiging tot observatie mag enkel worden verleend door een Officier van Justitie. Dit gebeurt slechts in die gevallen waarbij sprake is van:

a.     een persoon zich vreemd of verdacht gedraagt;

b.     een persoon wordt verdacht van betrokkenheid of verwaandheid aan een misdrijf;

c.     een persoon is of wordt mogelijk een doelwit van een misdrijf;

Bij het uitvaardigen van een machtiging tot observatie dient het openbaar ministerie zo veel mogelijk rekening te houden met de privacy van de geobserveerde en mogelijke derde.

Lid 3

Indien opsporingsambtenaren een verdacht persoon aantreffen en zij zien genoeg grond om die persoon voor langere tijd te observeren. Zijn zij zonder toestemming van het openbaar ministerie bevoegd om voor redelijke tijd een observatie op te zetten met gebruik van de bevoegdheden in lid 3 onder a en b.

Buiten bovengenoemd geval om dient zij toestemming te hebben van een Officier van Justitie.

Lid 4

Een machtiging tot observatie voldoet aan de volgende vormvereisten:

a.     de naam van en functie van het lid van het openbaar ministerie dat het bevel uitvaardigt;

b.     de datum waarop het bevel is uitgevaardigd;

c.     de geldigheidsdatum van het bevel;

d.     de persoon of de locatie die onder observatie gesteld wordt;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de observatie;

f.     de middelen die de ambtenaren in mogen zetten;

g.     een korte motivering en de reden waarom geobserveerd wordt;

Lid 5

Een opsporingsambtenaar is verplicht de persoon op wie observatie betrekking heeft dan wel een derde relevante partij in kennis te stellen van de observatie voor zover dat wenselijk en mogelijk is.

Lid 6

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot observatie is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 5 dagen;

Artikel 72 Sv. - Machtiging tot aanhouding

#

Lid 1

Middels een machtiging tot aanhouding zijn opsporingsambtenaren bevoegd tot:

a.     het ontnemen van de vrijheid van een te arresteren individu of groep;

b.     het inperken van de bewegingsmogelijkheden van een individu voor of tijdens transport indien daar reden voor is;

c.     het inzetten van aanhoudingsgeweld of middelen;

d.     het inzetten van de bevoegdheden van een binnentreding indien een te arresteren individu of groep zich op een plek bevindt die niet voor het publiek toegankelijk is, voor zover de veiligheid en de gezondheid van derde of de arrestant dit redelijkerwijs niet zouden moeten beletten;

Lid 2

Een machtiging tot aanhouding wordt enkel verleend:

a.     indien er voldoende bewijs is om een verdachte te veroordelen voor een strafbaar feit;

b.     indien een verzoek tot medebrenging geen resultaat heeft gehad;

c.     indien een transport middel of ander kenmerkend attribuut van een persoon meermaals is aangetroffen op een plaats delict en er geen redelijke verklaring bestaat waarom deze daar zou kunnen belanden;

Lid 3

In beginsel is een opsporingsambtenaar niet bevoegd tot het zelfstandig aanhouden van een verdachte. Ook al heeft hij genoeg bewijs tegen deze verdachte. Hij dient daarvoor een machtiging tot aanhouding aan te vragen bij het Openbaar Ministerie.

Dit geldt niet wanneer een opsporingsambtenaar op basis van een betrapping op heterdaad een verdachte aanhoud dan wel op basis van een heterdaad gezocht heeft naar een verdachte zonder noemenswaardige onderbrekingen.

Lid 4

Een machtiging tot aanhouding bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het openbaar ministerie die de machtiging toekent;
b.     de datum waarop de machtiging is afgegeven;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     de locatie of locaties waarop de machtiging tot aanhouding betrekking op heeft;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de feitelijke doorzoeking;

f.     de feiten waarvoor verdachte wordt aangehouden;

Lid 5

Een machtiging tot aanhouding heeft een tijdelijke duur. Deze duur is afhankelijk van de resterende strafvervolgingstermijn voor de delicten waar de aanhouding voor plaatsvindt. 

Artikel 73 Sv. - Machtiging tot preventief fouilleren

#

Lid 1

Middels een machtiging tot preventieve fouillering krijgt een opsporingsdienst dan wel een ambtenaar daarvan de bevoegdheid om:

a.     gebruik te maken van de rechten van de fouilleringsbevoegdheid op een daarvoor aangewezen plaats zonder dat daarbij spraken moet zijn van enige aanleiding om iemand te fouilleren;

b.     het steekproefsgewijs of volledig fouilleren van het langskomend of doorkomend verkeer van mensen of transportmiddelen dan wel beide;

Lid 2

het Openbaar Ministerie verleend slechts een machtiging tot preventief fouilleren indien er:

a.     concrete aanwijzingen zijn dat er op grote schaal drugs, wapens of andere illegale voorwerpen door een bepaald gebied worden vervoerd, dan wel dat eventuele bezitters van deze voorwerpen vaak door een bepaald gebied trekken met deze voorwerpen;

b.     een opsporingsinstantie belast is met de beveiliging van een gebouw of locatie;

c.     op een belangrijke economische of publieke functie de veiligheid van de aanwezige dit vereist; 

d.     ter behoeve van gecoördineerde (verkeer)controles; 

Bij de afweging voor het toekennen van deze machtiging dient de impact van het schenden van de privacy, en/of de integriteit van het lichaam naast andere relevante belangen afgewogen te worden tegen het publieke belang en het nut van de doorzoeking. Bij wet is het hoe dan ook niet toegestaan om de bevoegdheid toe te kennen waarmee iemand door een arts onderzocht moet worden.

Lid 3

Een preventieve fouillering vindt altijd plaats in de aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie die het bevel heeft uitgevaardigd dan wel een aangewezen plaatsvervangend lid van het openbaar ministerie.

Indien het Openbaar Ministerie dit vermeld in de machtiging preventieve fouillering kan een opsporingsdienst zelfstandig een preventieve fouillering uitvoeren zonder aanwezigheid van een lid van het Openbaar Ministerie. Dit geldt van rechtswege voor alle plekken die vanwege hun economische of publieke functie worden aangemerkt als plekken waar preventief gefouilleerd mag worden.

Lid 4

Een machtiging tot preventieve fouillering bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het Openbaar Ministerie die de machtiging toekent;

b.     de datum waarop de machtiging is afgegeven;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     de locatie of locaties waarop de machtiging tot preventieve fouillering betrekking heeft;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die bevoegd zijn tot het preventief fouilleren op de aangewezen locatie;

f.     welke fouilleringsrechten ingezet mogen worden;

g.     een motivering waarom er preventief gefouilleerd wordt en en met welk doel;

Lid 5

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot binnentreding is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 14 dagen;

Welke door de Hoofd Officier van Justitie nog eens met tweemaal 7 dagen mag worden verlengd.

Deze vervaltermijn geldt niet voor locaties die vanwege hun economische of publieke functie worden aangemerkt als plekken voor preventieve fouillering, zolang zij hun originele functie behouden.

Artikel 74 Sv. - Verzoek tot medebrenging

#

Lid 1

Een verzoek tot medebrenging heeft tot doel het meenemen van individuen naar een locatie die daarvoor wordt aangewezen om een lid van een opsporingsinstantie, het Openbaar Ministerie of de rechterlijke macht instaat te stellen, een gesprek te voeren met dat individu. Daarbij verkrijgt de uitvoerende opsporingsambtenaar geen bevoegdheden krachtens dit verzoek. Behoudens die welke blijken uit dit artikel.

Lid 2

Een mee te brengen individu mag niet worden gedwongen of in zijn vrijheid worden beperkt behoudens een fouillering voor een mee te brengen persoon op de locatie aankomt en/of in een transportmiddel wordt geplaatst.

Artikel 75 Sv. - Algemene nummerplaatregistratie

#

Lid 1

Dit artikel verleent een opsporingsambtenaar de bevoegdheid om:
a.     kentekenplaten van voertuigen te registreren;

b.     deze kentekens te laten signaleren door observatie-elektronica bij wegen;

c.     zich te laten signaleren door deze observatie-elektronica;

d.     bevoegdheden in te zetten naar aanleiding van deze signalering;

Lid 2

Een algemene nummerplaatregistratie is slechts toegestaan:

a.      voor 24 uur nadat het voertuig betrokken is geweest bij een misdrijf en het feit nog niet strafrechtelijk is afgedaan;

b.     voor de duur van een machtiging tot aanhouding indien het voertuig betrokken is bij een misdrijf dan wel eigendom is van een van de verdachten van dat misdrijf;

c.     ter handhaving van artikel 76 Sv.;

d.     wanneer het voertuig als gestolen is opgegeven;

e.     wanneer het voertuig van belang is voor langduriger strafrechtelijk onderzoek;

Lid 3

Slechts in het geval van lid 2 b en e dient vooraf toestemming verkregen te worden door het Openbaar Ministerie alvorens een algemene nummerplaatregistratie mag plaatsvinden.

Lid 4

het Openbaar Ministerie mag te allen tijde beslissen dat een algemene nummerplaatregistratie niet langer een rechtmatige inbreuk maakt op de rechten van een geregistreerd persoon en de registratie opheffen.

Artikel 76 Sv. - Wachten op keuring registratie

#

Lid 1

Een registratie tot het wachten op een keuring heeft tot gevolg:

a.     dat het voertuig waarop het betrekking heeft zich niet langer op de openbare weg mag bevinden;

b.     indien nodig en op kosten van de bestuurder dan wel de eigenaar versleept mag worden;

c.     het voertuig conform artikel 75 Sv. mag worden opgenomen in het politiesysteem ten einde onwettige verplaatsing van het voertuig te kunnen waarnemen;

Lid 2

Een opsporingsambtenaar is bevoegd de bevoegdheden uit lid 1 toe te passen indien:

a.     het voertuig waartegen deze middelen worden ingezet niet voldoet aan de eisen van een APK, ongeacht een al dan niet geldige APK-status.

Lid 3

Een voertuig dat geregistreerd staat als wachtende op een keuring mag zich op de openbare weg begeven, mits:
a.     het doel van het transport een herkeuring van het voertuig betreft;

b.     de bestuurder van het voertuig de korts mogelijke route pakt naar de plaats waar het voertuig gekeurd zal worden;