Wet op de burgerlijke rechtsvordering

Wet op de burgerlijke rechtsvordering

Wetboek

Nederbeek

Navigatie

← Terug naar overzicht

Wet op de burgerlijke rechtsvordering

#

                

Pre-rechtspraak in het civielrecht

#

                

Mediation

#

                

Artikel 1 WBR - Vereisten

#

Lid 1

Mediation is voor de wet geldig indien het aan de volgende eisen voldoet:
a.     alle partijen die belang hebben bij de mediation zijn het eens met de mediation;
b.     de mediator heeft geen of een verwaarloosbaar belang bij de mediation;

Lid 2

Er mag aan mediation worden gedaan wanneer partijen onenigheid hebben over één of meer kwesties, waarbij zij willen proberen om er samen uit te komen.

Lid 3

Er bestaat geen plicht tot mediation.

Artikel 2 WBR - Uitkomst

#

Lid 1

Geen partij is gebonden aan de uitkomst van mediation. Echter het negeren of passeren van een rechtsgeldige mediation mag meegenomen worden als bewijs in zwaardere civiele procedures.

Rechtspraak in het civiel recht

#

                

Bevoegdheid

#

                

Artikel 100 WBR - Bevoegde rechtbanken

#

Lid 1

Enkel een civiele kamer is bevoegd een civiel proces te behandelen.

Lid 2

Voor de wet wordt een zaak tegen een overheidsorgaan gelijkgesteld aan een civiel proces. Behoudens de in deze wet benoemde uitzonderingen.

Artikel 101 WBR - Uitzonderingen voor civiele procedure overheidsorganen

#

Lid 1

Kwesties die conform artikel 100 WBR lid 2 niet behoren tot de civiele rechtspraak zijn:
a. zaken waarbij het gaat om corruptie dan wel enig ander strafbaar gesteld feit begaan door een individuele ambtenaar;

Artikel 102 WBR - Kamersamenstelling

#

Lid 1

Een civiele zaak wordt voorgezeten door:
a.     een enkelvoudige kamer bestaande uit één civiele rechter, indien het een kwestie betreft waarbij de afzonderlijke eisen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan €50.000;
b.     een meervoudige kamer bestaande uit minstens twee en maximaal drie civiele rechters, indien een enkelvoudige civiele kamer onbevoegd is;

Lid 2

Geen rechter of rechtbank is bevoegd te oordelen over een eis indien deze eis al is behandeld door het bestuur van Nederbeek. Behoudens die gevallen waar zij van datzelfde bestuur toestemming hebben gekregen.

Artikel 103 WBR - Rechters

#

Lid 1

In afnemende mate van voorkeur worden aangemerkt als civiele rechter:
a.     magistraten;
b.     leidinggevende van overheidsorganen;
c.     advocaten binnen Nederbeek;

Lid 2

Rechters komen enkel in aanmerking wanneer zij:
a.     niet inhoudelijk, althans niet te inhoudelijk bij de zaak betrokken zijn;

Lid 3

Rechters mogen ervoor kiezen om niet op te treden als rechter in een bepaalde zaak.

Lid 4

Voor de duur van de zaak worden rechters aangemerkt als magistraat voor die zaak waar zij rechter zijn. Wat inhoudt dat zij:
a.     de rechtsgang zullen bewaken;
b.     onpartijdig zullen oordelen;

Lid 5

Alvorens iemand mag optreden als rechter, dient deze in het bezit te zijn van een oorkonde waaruit blijkt dat deze persoon in staat is op te treden als rechter. Deze oorkonde wordt verstrekt door het Adviescomité Wetgeving Openbaar Ministerie.

Aanvraag en voorbereiding

#

                

Artikel 110 WBR - Vereisten

#

Lid 1

Een rechtszaak mag worden aangevraagd door een persoon of groep, dan wel hun advocaat, tegen een andere persoon of groep, mits zij beide instemmen hun zaak voor te leggen aan een rechter.

De plicht tot instemming vervalt wanneer:
a.     het een zaak is tegen een rechtspersoon belast met overheidsgezag;
b.     wanneer de eis betrekking heeft op een waarde hoger dan: €10.000;

Lid 2

De rechtbank is ongeacht lid 1 bevoegd om een zaak te weigeren.

Artikel 111 WBR - Eis

#

Lid 1

Indien de rechtbank heeft ingestemd met een civiel proces, zal de eiser zo snel mogelijk een dagvaarding opsturen naar de gedaagde, dan wel diens advocaat, en naar de rechtbank.

Lid 2

Een dagvaarding bestaat uit:
a.     de naam en andere relevante gegevens van de eiser;
b.     de naam en andere relevante gegevens van de gedaagde;;
c.     de voorgenomen vordering;
d.     de reden waarom deze vordering wordt gedaan;

Lid 3

De gedaagde mag na het ontvangen van de dagvaarding tegenvorderingen doen. Welke op zijn laatst meegezonden mogen worden met het dossier.

Lid 4

De eiser dan wel gedaagde mag de dagvaarding dan wel tegenvordering immer afzwakken tot en met het moment waarop de zitting is begonnen.
De eiser dan wel gedaagde mag tot drie dagen voor de zitting de dagvaarding dan wel tegenvordering verzwaren zonder toestemming van de rechtbank. 

Artikel 112 WBR - Agendering van de zaak

#

Lid 1

Na het ontvangen van de vorderingen zal de rechtbank:
a.     met de aanklagende en de aangeklaagde partij proberen in te schatten hoe groot de zaak wordt en hoeveel tijd er nodig gaat zijn;
b.     een of meerdere zittingsmomenten inplannen om de zaak te behandelen;

Lid 2

Het inplannen van zittingsmomenten dient aan de volgende eisen te voldoen:
a.     het aantal zittingsmomenten blijft zoveel mogelijk beperkt voor de praktische uitvoerbaarheid van de rechtspleging;
b.     de zittingsmomenten zijn voor zover mogelijk op zulke momenten gepland dat er voldoende tijd is voor de voorbereiding van de zaak;
c.     waar mogelijk toont de rechtbank flexibiliteit naar beide partijen, waarbij zij niet de plicht uit het oog verliest de zaak binnen redelijke termijn af te ronden;

Artikel 113 WBR - Geen gehoor

#

Lid 1

Indien de aanklager en/ of de rechtbank geen reactie krijgt vanuit de aangeklaagde partij nadat deze overduidelijk de vordering heeft ontvangen en er minstens één week is verstreken, kan de rechtbank besluiten de zaak voorwaardelijk bij verstek te behandelen.

Lid 2

Bij een voorwaardelijke verstekbehandeling wordt de aangeklaagde partij niet meegenomen in de voorbereiding van de zaak en heeft deze geen inspraak op het moment waarop eventuele zittingsmomenten zullen plaatsvinden.

Lid 3

Indien de rechtbank en/of de aangeklaagde partij geen reactie krijgt van de aanklagende partij en er minstens één week verstreken is dan wel wanneer er reeds een moment is, vastgesteld voor een behandeling van de gerechtelijke procedure, kan de rechtbank besluiten de zaak voorwaardelijk als niet-ontvankelijk te behandelen.

Lid 4

Bij een voorwaardelijke niet-ontvankelijkheidsbehandeling wordt de aanklagende partij niet meegenomen in de voorbereiding van de zaak en heeft deze geen inspraak op het moment waarop de behandeling van de zaak zal plaatsvinden. Tevens zal de aanklager definitief niet-ontvankelijk worden verklaard indien hij niet van zich heeft laten horen op het moment dat de procedure aanvangt en daar ook niet aanwezig is.

Lid 5

De voorwaardelijke verstek- en niet-ontvankelijkheidsbehandeling is niet langer toegestaan zodra er alsnog een reactie volgt voor de behandeling van de zaak is afgerond, niet zijnde het beslissen over dan wel uitspreken van een oordeel door de rechter.

De rechtbank mag besluiten een voorwaardelijke verstek- dan wel niet-ontvankelijkheidsbehandeling door te zetten indien er een zitting gepland staat en de niet-reagerende partij 24 uur van tevoren kenbaar maakt er niet bij te kunnen zijn en geen gegrond argument heeft waarom de reactie uitbleef. Dit geldt tevens als de niet-reagerende partij alsnog verschijnt op zitting.

Artikel 114 WBR - Dossier

#

Lid 1

Vijf dagen voor het eerste zittingsmoment levert de eiser het dossier aan, bij de rechtbank en de gedaagde partij. Met daarin:
a.     de te gebruiken bewijsstukken;
b.     een lijst met te horen getuigen;
c.     een overzicht van de opbouw van de eventuele kosten van de vordering; 

Lid 2

Drie dagen voor het eerste zittingsmoment levert de gedaagde het dossier aan, bij de rechtbank en de eisende partij. Met daarin:
a.     aanvullende bewijsstukken;
b.     een lijst met te horen getuigen;
c.     een overzicht van de opbouw van de eventuele tegenvordering, mits deze kosten met zich meebrengt; 

Lid 3

Bewijzen en getuigen mogen worden teruggetrokken, toegevoegd of, indien de aard dat toelaat, gewijzigd worden tot op een dag voor de zitting waarop zij behandeld wordt.

Artikel 115 WBR - Toelating getuigen

#

Lid 1

Uiteindelijk besluit de rechtbank over de te horen getuigen. De rechtbank mag besluiten een getuige niet te horen indien:
a.     dit geen toegevoegde waarde heeft;
b.     de getuigen aantoonbaar twijfelachtig is of is geweest;
c.     het omwille van de tijd niet mogelijk of wenselijk is een getuige te horen;

Lid 2

Indien een getuige niet gehoord wordt door de rechtbank, kan diens verklaring wel op schrift worden gesteld om meegenomen te worden in de bewijslast.

Lid 3

De partij die een getuige inbrengt, is verantwoordelijk voor het aanwezig laten zijn van die getuige op het daarvoor aangewezen zittingsmoment.

Artikel 116 WBR - Wijziging en te late inbreng

#

Lid 1

Het staat de rechtbank vrij om de aangegeven tijdslimieten te negeren in het belang van de rechtspleging. Zij mag tot op het einde van de behandeling van de zaak oordelen over de toelaatbaarheid van bepaalde acties.

Het proces

#

                

Artikel 120 WBR - Opening van de zitting

#

Lid 1

Voor de inhoudelijke behandeling van de zaak kan plaatsvinden, loopt de rechtbank de volgende punten af:
a.     het vaststellen van de aanwezigheid van alle relevante betrokkenen;
b.     het controleren van de identiteit van de aangeklaagde;
c.     het doornemen van de belangrijkste gedragsregels;
d.     het benoemen van de samenstelling en het doel van de rechtbank;
e.     het bespreken van verzoeken en eventuele punten van onvrede vanuit beide partijen;

Lid 2

Daarnaast controleert de rechtbank of de aangeleverde dossiers volledig zijn en of beide partijen alles ontvangen hebben. Eveneens controleert de rechtbank of alle getuigen aanwezig dan wel beschikbaar zijn.

Lid 3

Voor een getuige gehoord kan worden door de rechtbank en diens getuigenis als wettig bewijs mag tellen, dient zij de getuige onder ede te plaatsen. Dit is gebeurd wanneer de getuige positief antwoordde op de:
a.      de belofte, welke luidt: "Zweert u de waarheid te vertellen en niets anders dan de waarheid";
b.     of de eed, welke luidt: "Zweert u de waarheid te vertellen en niets anders dan de waarheid, zo waarlijk helpe mij God almachtig.";

Artikel 121 WBR - Aanhoren van standpunten

#

Lid 1

De rechtbank stelt na de opening van de zaak beide partijen in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken.

Lid 2

Allereerst vraagt zij de eiser de dagvaarding uiteen te zetten. In elk geval moet duidelijk zijn:
a.     wat de zaak inhoudt;
b.     welke feiten dit ondersteunen;
c.     wat de voorgenomen vordering is;

Lid 3

Na de eiser krijgt de gedaagde of diens advocaat de gelegenheid om hun visie op de dagvaarding te geven dan wel om een eventuele tegenvordering toe te lichten, waarbij duidelijk moet zijn:
a.     waarom de tegenvordering gedaan wordt;
b.     welke feiten dit ondersteunen;
c.     wat de voorgenomen tegenvordering is;

Artikel 122 WBR - Feitenbehandeling

#

Lid 1

Nadat de feiten zijn besproken, begint de rechtbank aan de feitenbehandeling. Welke bestaat uit:
a.     het bespreken van het bewijsmateriaal;
b.     het horen van getuigen;

Lid 2

In beginsel hanteert de rechtbank de volgende volgorde wanneer zij de feiten behandelt:
a.     de eiser wordt gevraagd om elk bewijsstuk toe te lichten, waarna de gedaagde en de rechtbank de gelegenheid krijgen hierover vragen te stellen;
b.     vervolgens worden de getuigen van de eiser gehoord. Waarbij eerst de eiser en daarna de gedaagde en de rechtbank de gelegenheid krijgen de getuige te bevragen;
c.     vervolgens krijgt de gedaagde de gelegenheid eventueel ingebracht tegenbewijs te bespreken. De eiser en de rechtbank krijgen hierbij de gelegenheid de gedaagde vragen te stellen;
d.     daarna worden de getuigen van de gedaagde gehoord. Waarbij eerst de gedaagde en daarna de eiser en de rechtbank de gelegenheid krijgen om vragen te stellen;

Lid 3

De bepalingen in lid 2 zijn niet leidend en de rechtbank mag hiervan afwijken, zolang er geen belangen onnodig geschaad worden.

Artikel 123 WBR - Getuigenverhoor

#

Lid 1

In beginsel vindt een getuigenverhoor als volgt plaats:
a.     in eerste instantie krijgt de partij die de getuige heeft opgeroepen dan wel conform de procedure als eerste aan het woord is de gelegenheid de getuige vragen te stellen;
b.     daarna wordt de andere partij in de gelegenheid gesteld vragen te stellen;
c.     vervolgens heeft de rechtbank de gelegenheid zelf vragen te stellen aan de getuigen;
d.     daarna wordt er een rondvraag gedaan of er nog vragen zijn aan de getuigen;
e.     tot slot beslist de rechtbank of de getuige mag gaan of dat deze moet blijven dan wel zich beschikbaar moet houden.

Lid 2

De wet maakt onderscheid tussen twee soorten verdachten, die niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar zijn in één persoon, maar voor de wet andere doelen dienen:
a.     een ooggetuige;
b.     een specialistische getuige;

Lid 3

Ooggetuigen zijn die getuigen die kunnen verklaren over een bepaalde gebeurtenis. Hen mogen alleen vragen gesteld worden over die feiten en gebeurtenissen waar zij getuigen van zijn geweest;

Lid 4

Specialistische getuigen zijn die getuigen die dankzij hun beroep of ervaring, kennis hebben over een bepaald onderwerp. Deze getuigen mogen enkel vragen gesteld worden over die onderwerpen waarin zij expertise hebben. Expertise wordt aangenomen indien de getuigen:
a.     een instructeur is;
b.     een specialisatie heeft gevolgd;
c.     voor langere tijd werkzaam is of tot kort geleden is geweest in een specifieke branche;
d.     aantoonbaar kennis heeft van een bepaald onderwerp;

Artikel 124 WBR - Pleidooien

#

Lid 1

Zowel de eiser als de gedaagde krijgen na de feitenbehandeling de gelegenheid om hun visie op de zaak samen te vatten in een pleidooi. Welke bestaat uit:
a.     wat zij vinden van de vorderingen;
b.     waarom eventuele vorderingen ongegrond of onredelijk zouden zijn;
c.     welke eisen zij stellen;

Artikel 125 WBR - Repliek en dupliek

#

Lid 1

Na de pleidooien krijgt de eiser de gelegenheid om een reactie te geven op het pleidooi van de verdediging, middels een repliek.

Lid 2

Indien er gebruikgemaakt is van het recht op een repliek, mag de gedaagde een weerwoord geven, middels een dupliek.

Artikel 126 WBR - Afronden inhoudelijke behandeling

#

Lid 1

Nadat de rechtbank kennis heeft genomen van de pleidooien, repliek dan wel dupliek, sluit zij de inhoudelijke behandeling en vermeldt, voor de zitting wordt afgerond het volgende:
a.     hoe de rechtbank zal vonnissen;
b.     op welke datum de rechtbank verwacht het vonnis klaar te hebben;

Artikel 127 WBR - Oplossingsstreven

#

Lid 1

De rechter zal, mits hij hier redelijke kans van slagen voor ziet, partijen in de gelegenheid stellen gezamenlijk tot een schikking te komen.

Lid 2

Hiertoe mag de rechter:
a.     beide partijen vragen onderling overleg te plegen om tot een schikking te komen;
b.     tussentijdse vonnissen op kwesties die een mogelijke schikking in de weg staan;

Uitspraak

#

                

Artikel 130 WBR - Wijjze van uitspraak

#

Lid 1

De rechtbank wijst altijd haar definitieve vonnis op papier.

Lid 2

De rechtbank kan na het afronden van de zitting gelijk mondeling uitspraak doen. Waarna zij op een later moment het vonnis op papier nog aanlevert.

Artikel 131 WBR - Vormvereisten

#

Lid 1

De rechtbank structureert het vonnis in beginsel op de volgende wijze:
a.     zij bespreekt het doel van de rechtszaak;
b.     welk bewijs er is toegelaten en waarom;
c.     welke feiten daarmee bewezen zijn;
d.     tot welke strafbare gedragingen de rechtbank komt, dan wel waarom zij tot vrijspraak komt voor een of meerdere feiten;
e.     de straf en/of de maatregelen die de rechtbank oplegt bij een schuldigverklaring;
f.     een oordeel over de schadeclaim;

Lid 2

Indien er tijdens de rechtszaak of bij het opstellen van het vonnis juridische kwesties zijn die van belang zijn om te behandelen voor toekomstige zaken, zal de rechtbank deze rechtsvragen ook behandelen in haar vonnis. Hierbij baseert zij zich op:
a.     allereerst op de wet;
b.     andere soortgelijke uitspraken, die nog relevant zijn;
c.     indien de bovenstaande geen uitkomst biedt, kan de rechtbank op eigen gezag normen stellen om een rechtsvraag te beantwoorden;

Artikel 132 WBR - Voortijdig beslissen

#

Lid 1

Indien de rechtbank dit wenselijk acht, kan zij besluiten voorafgaand aan het vonnis maatregelen op te leggen.