Artikel 10 BWV - Onrechtmatige daad
Lid 1
Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander daardoor lijdt, te herstellen.
Lid 2
Als onrechtmatige daad worden gezien die handelingen of het nalaten van handelingen die in strijd zijn met:
a. het recht
b. de wet;
c. hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt;
Lid 3
Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien deze te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die voor zijn rekening komt, krachtens:
a. de wet;
b. het recht;

