AmbI - Hoofdstuk 3 Fouilleringen

AmbI - Hoofdstuk 3 Fouilleringen

Wetboek

Nederbeek

Navigatie

← Terug naar overzicht

AmbI - Hoofdstuk 3 Fouilleringen

#

            

Artikel 18 AmbI

#

Lid 1

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 19 AmbI

#

Lid 1

Fouillering op preventie van of in omgeving van een misdaad is slechts geoorloofd:

a.     Als de dienstdoende officier van justitie of hoofdofficier van justitie een gebied aanwijst als veiligheidsrisicogebied onder andere bij hoog aantal wapenincidenten en of ernstige mate van (vuur) wapengebruik, en

b.     Enkel op last van deze officier mag er preventief gefouilleerd worden in een veiligheidsrisicogebied;

c.     Bij preventieve fouilleringen mag men controle uitvoeren aan verpakking van goederen, vervoermiddelen en kleding van personen, of

d.     Bij veiligstellen van gegijzelde met toestemming van persoon, of

e.     In Artikel 19a beschreven situaties.

Artikel 19a AmbI

#

Lid 1

De ambtenaar van Politie, belast met de opsporing van strafbare feiten, kan bij ernstige delicten hij die te maken heeft met of in de buurt is van het strafbaarheid, waar in het artikel fouillering toestaat, fouilleren op  basis van deze wet zoals onder andere de wet wapens en munitie of wet ID, zoals vastgesteld in artikel 21 Ambtsinstructie. 

Lid 2

Tevens is de ambtenaar van Politie, die belast is met de opsporing van strafbare feiten, bij verdenking van het bezitten van zaken die het feit mogelijk maken of die door het feit verkregen zijn, hij die te maken heeft met of in de buurt is van het strafbare feit te fouilleren.

Lid 3

Buiten de gevallen benoemd in lid 1 en 2 van dit artikel is een opsporingsambtenaar bevoegd om een fouillering uit te voeren op het moment dat zij daarvoor toestemming hebben gekregen van een lid van het Openbaar Ministerie. Deze toestemming wordt verleend in de vorm van een machtiging tot preventief fouilleren.

Artikel 20 AmbI

#

Lid 1

Het onderzoek aan de kleding, bedoeld in artikel 7 lid 3 van de politiewet 2024, en het onderzoek aan de kleding van een te vervoeren persoon, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zo veel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

Lid 2

Als de ambtenaar bij het onderzoek, voorwerpen aantreft die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen, neemt hij die voorwerpen in bewaring.

Artikel 20a AmbI

#

Lid 1

De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht.

Lid 2

De officier van justitie kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze in zijn lichaam wordt onderzocht. Onder onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek, echografie en het inwendig manueel onderzoek van de openingen en holten van het lichaam. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts. Het onderzoek wordt niet ten uitvoer gelegd indien zulks om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

Lid 3

De in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoeken worden op een besloten plaats en voor zover mogelijk door personen van hetzelfde geslacht als de verdachte verricht.

Lid 4

De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd den aangehoudene tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijne kleding te onderzoeken.

Artikel 21a AmbI

#

Lid 1

De ambtenaar van Politie, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.

Lid 2

De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, oefenen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken te voorkomen.