Veroordeling

Veroordeling

Wetboek

Nederbeek

Navigatie

← Terug naar overzicht

Veroordeling

#

Artikel 50 Sv. - Schuldigheidsbevinding

#

Lid 1

Een verdachte mag slechts schuldig worden bevonden aan een strafbaar feit, indien er:

a.     voldoende wettig bewijs is om de beschreven strafbare gedraging te bewijzen;

b.     voldoende overtuiging leeft bij de ambtenaar die iemand schuldig bevindt aan een strafbaar feit, omtrent de vraag of de verdachte het feit wel gepleegd heeft;

c.     er geen wettelijke gronden zijn waarop schuldig bevinding aan een strafbaar feit niet meer mogelijk is dan wel die het feit rechtvaardigen;

Lid 2

Voor de overtuiging zijn drie zaken wettelijk van belang:

a.     de oordelend ambtenaar dient voor zover mogelijk inzicht te krijgen in het motief van de verdachte;

b.     de oordelend ambtenaar dient vast te stellen of de verdachte in de gelegenheid was om het strafbare feit te plegen;

c.     de oordelend ambtenaar dient het aantal en de waarschijnlijkheid van alternatieve scenario's te overwegen;

Afwezigheid van één of meerdere van deze punten hoeft niet direct te leiden tot vrijspraak voor het ten laste gelegde.

Artikel 51 Sv. - Rechtspraak

#

Lid 1

In beginsel is een rechter als enige bevoegd om te oordelen over de schuldbevinding aan een strafbaar feit.

Lid 2

Echter verkrijgt hij deze bevoegdheid pas op het moment dat:

a.     het Openbaar Ministerie een verdachte dagvaard;

b.     een verdachte zijn zaak wil laten beoordelen door een onafhankelijke rechter;

Lid 3

De rechtbank heeft echter de bevoegdheid om een voorgelegde zaak niet te behandelen indien:

a.     de rechtbank het niet van belang acht een zaak aan te horen;

b.     geen redenen ziet om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het Openbaar Ministerie;

c.     het niet wenselijk, dan wel mogelijk acht om op redelijke termijn te oordelen over een zaak

Daarnaast is de rechtbank bevoegd om regelingen op te stellen omtrent de criteria die zij stellen aan het mogelijk horen van een zaak en op grond waarvan het Openbaar Ministerie dan wel een opsporingsambtenaar een verzoek aan de rechter mag afwijzen als ware het een besluit van de rechtbank.

Artikel 53 Sv. - Voorgeleiding bij een hulp Officier van Justitie

#

Lid 1

Een aangehouden verdachte dient altijd voorgeleid te worden aan een hulp Officier van Justitie. Die niet betrokken is geweest bij de aanhouding, de bewijsvergaring of een eventueel strafrechtelijk onderzoek.

Lid 2

De Hulp Officier van Justitie hoort de verklaringen van de opsporingsambtenaar aan en weegt de bewijslast. Daarnaast hoort deze de verdachte.

Lid 3

De Hulp Officier van Justitie velt vervolgens een oordeel over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezen is en zo ja legt een passende straf op. Daarbij houdt de Hulp Officier van Justitie rekening met:

a.     de persoonlijke omstandigheden en aard van de verdachte;

b.     eventuele fouten die zijn gemaakt door opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie;

c.     de ernst en/ of de maatschappelijke impact van het bewezen feit dan wel de wijze waarop dit gepleegd is;

d.     alle andere zaken die voor een passende strafmeting van belang kunnen zijn;

Artikel 54 Sv. - Voorgeleiding bij een Officier van Justitie

#

Lid 1

Slechts in de volgende gevallen mag een zaak worden voorgeleid aan een Officier van Justitie:

a.     indien er geen, geschikte, hulp Officier van Justitie beschikbaar is;

b.     indien het een zaak betreft waarbij het Openbaar Ministerie voor langere tijd onderzoek gedaan heeft;

c.     indien een Officier van Justitie een voorgeleiding wenst over te nemen;

Daarnaast dient een Officier van Justitie betrokken te worden bij elke voorgeleiding waarbij een klacht of onenigheid bestaat over het handelen van de hulp Officier van Justitie.

Lid 2

De Officier van Justitie heeft bij een voorgeleiding dezelfde rechten en plichten als een hulp Officier van Justitie. 

Een Officier van Justitie kan echter in het geval van een klacht of onenigheid besluiten zich alleen te mengen in het punt waar de klacht of de onenigheid over gaat en de voorgeleiding verder over te laten aan de hulp Officier van Justitie.

Artikel 55 Sv. - Strafbeschikking vanuit de politie

#

Lid 1

Indien er geen lid van het Openbaar Ministerie is om een zaak aan voor te geleiden is een opsporingsambtenaar bevoegd om een strafbeschikking op te leggen waarmee hij een verdachte schuldig bevind aan een volgens hem bewezen feit.

Lid 2

Hierbij gedraagt de opsporingsambtenaar zich, voor zover van hem verwacht mag worden, redelijk ten opzichte van het wegen van het bewijs en de uiteindelijke bewezenverklaring.

Lid 3

Het is een opsporingsambtenaar niet toegestaan om een andere straf op te leggen dan de hoofdstraf die door de wet op een strafbaar feit is gesteld.