Artikel 61 Sv. - Plaatsdelict

Artikel 61 Sv. - Plaatsdelict

Wetboek

Nederbeek

Navigatie

← Terug naar overzicht

Artikel 61 Sv. - Plaatsdelict

#

id 1

Het inroepen van een plaatsdelict houdt in dat:

a.     een plek of ruimte dan wel de toegang tot die plek of ruimte voor enige tijd mag worden afgeschermd met een lint, zegels, voertuig(en), person(en) of op andere wijze;

b.     mogelijk bewijsmateriaal beschouwd, onderzocht, meegenomen  en/of in beslag genomen mag worden van die plek;

c.     eventuele lijken of gewonde personen, beschouwd, onderzocht en verder medisch worden verwerkt. Voor zover hier door het geldende recht geen beperkingen aan worden gesteld;

d.     het tijdelijk verbieden of stop zetten van, voorgenomen, wijzigingen ten aanzien van objecten of plaatsen die als geheel als bewijsmateriaal worden gezien, maar door hun aard niet te verplaatsen zijn;

Lid 2

Het inroepen van een plaats delict mag enkel gebeuren wanneer er minstens een vermoede bestaat dat er op de aan te wijze plek bewijsmateriaal aanwezig is wat kan leiden tot of bijdragen aan een vervolging voor een strafbare gedraging dan wel als tegenbewijs kan dienen voor eventuele verdenkingen tegen verdachte. 

Lid 3

Een plaats delict mag worden ingeroepen door elke ambtenaar van politie. En mag ook enkel door hun en leden van het Openbaar Ministerie zonder voorafgaande toestemming en zonder begeleiding worden betreden.

Lid 4

Een plaats delict dient zo snel mogelijk weer ter beschikking te worden gesteld aan de eigenaar of het publiek, voor zover dit daarvoor ook het geval was. De politie is bevoegd een plaats delict voor maximaal 1 uur nadat de plaats delict is ingeroepen te handhaven. Daarna dienen zij zo snel mogelijk, maar minstens binnen 24 uur toestemming te krijgen van het Openbaar Ministerie. Welke deze plaats delict voor maximaal 7 dagen mag handhaven waarna opnieuw een beoordeling dient plaats te vinden.

Een Officier van Justitie mag een plaats delict opheffen of de beperkingen die deze plaats oplegt inperken op elk gewenst moment. Daarbij dient de afweging van de waarheidsvinding en de zuiverheid van het strafrechtelijk onderzoek afgewogen te worden tegen de publieke en private inbreuk die het plaats delict met de van kracht zijnde beperkingen maakt.