Navigatie
← Terug naar overzichtOnderzoek
#
Artikel 10 Sv. - Reden onderzoek
#Lid 1
Strafrechtelijk onderzoek kan worden ingesteld nadat:
a. een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie een aangifte ontvangt, dit recht vervalt op het moment dat deze aangifte wordt ingetrokken dan wel herroepen. Echter geldt dit niet meer op het moment dat er al sporen zijn aangetroffen van een strafbaar feit of er spraken lijkt te zijn van een onvrijwillige intrekking;
b. een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie tijdens of na een arrestant aangehouden te hebben het feit verder wil onderzoeken;
c. een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie kennis neemt van een gepleegd strafbaar feit;
Artikel 11 Sv. - Aangifte
#Lid 1
Een aangifte kan zowel bij een ambtenaar van een opsporingsinstantie als een lid van het openbaar ministerie schriftelijk of mondeling, met een transcript op ambtseed, worden ingediend.
Lid 2
Hoewel de opsporingsinstanties dan wel het openbaar ministerie niet verplicht zijn direct te handelen op een aangifte, zijn zij wel gehouden aan de plicht om elke aangifte als waar te beschouwen en daarmee serieus te nemen. Deze verplichting vervalt bij het blijken van een of meerdere onwaarheden die de rest van de aangifte ongeloofwaardig maken.
Lid 3
Een aangifte intrekken mag slechts in die gevallen waarbij:
a. de aangever uit eigen vrije wil niet langer wrok koestert tegen de vermeende, dader;
b. de aangever een schrijf, dicteer of door verwardheid een fout heeft gemaakt en deze wil intrekken of corrigeren;
Lid 4
Een aangifte dient te bevatten:
a. de naam van de aangever;
b. een beschrijving van hetgeen er gebeurd is;
c. een verklaring waarin de aangever stelt dat hij of zij op de hoogte is van mogelijke vervolging op grond van artikel 171 wetboek van strafrecht;
Afwezigheid van een van deze vormvereisten is geen grond tot onrechtmatigheid van de aangifte, behalve de vereiste van lid 1 onder a.
Artikel 12 Sv. - Heterdaad
#Lid 1
Er is slechts sprake van een heterdaad wanneer:
a. een ambtenaar strafbare gedragingen waarneemt;
b. en zij met zekerheid kunnen zeggen dat degene die zij aanhouden de ene is die het feit heeft gepleegd;
Artikel 13 Sv. - Vernemen strafbaar feit
#Lid 1
Een opsporingsambtenaar dan wel het openbaar ministerie kan kennisnemen van een strafbaar feit door:
a. zich op een plek te bevinden waar sporen van een strafbaar feit te zien, te vinden dan wel gevonden zijn;
b. op basis van een anonieme melding;
c. op basis van verklaringen of getuigenissen die wijzen naar een plek waarop het gestelde onder a van toepassing is;
Artikel 14 Sv. - Bevoegdheid onderzoek
#Lid 1
Opsporingsambtenaren zijn onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van onderzoek in de gevallen die zijn beschreven in artikel 10 Sv.
Lid 2
Het openbaar ministerie mag middels regelingen en voorschriften afwijken van dit artikel en opsporingsambtenaren middels dergelijke regelingen of voorschriften blijvende toestemming verlenen tot het doen van bepaalde strafrechtelijke onderzoeken;
Artikel 15 Sv. - Inperking
#Lid 1
De bepalingen van deze titel kunnen worden ingeperkt, overgedragen of worden voorzien van extra criteria, krachtens besluiten, regelingen of voorschriften.
Lid 2
De instanties bevoegd tot het opstellen van dergelijke voorschriften zijn in toenemende mate van ondergeschiktheid:
a. het openbaar ministerie;
b. een opsporingsinstantie;
Lid 3
De wet kan eisen stellen aan het gebruik of het moment dan wel wijze waarmee een bepaalde bevoegdheid mag worden ingezet.
Artikel 16 Sv. - Bevoegdheden strafrechtelijk onderzoek
#Lid 1
Opsporingsambtenaren beschikken over de volgende bevoegdheden gedurende een onderzoek:
a. open bronnenonderzoek;
b. het inroepen van een plaats delict dan wel het afzetten van een gebied om bewijs veilig te stellen;
c. het in beslag nemen van eigendommen;
d. het doorzoeken dan wel onderzoeken van in beslag genomen voorwerpen;
e. fouilleren of ander lichamelijk onderzoek zoals beschreven in hoofdstuk 3 van de ambtsinstructie;
f. het afnemen van tests op verdovende middelen;
g. het opstellen van getuigenverklaringen;
h. het afnemen van een verhoor;
i. alle bevoegdheden die uit andere wetten blijken en die bijdragen aan het strafrechtelijk onderzoek vallen ook onder dit lid, behoudens uit die wet blijkende restricties.
Lid 2
De leden van het openbaar ministerie zijn gedurende een strafrechtelijk onderzoek verantwoordelijk voor het uitgeven van de volgende bevoegdheden:
a. alle bevoegdheden van opsporingsambtenaren zoals bedoeld onder lid 1,
b. het in beslag nemen van elektronische voorwerpen dan wel de inhoud daarvan, waarvan vermoed wordt dat daar bewijsmateriaal op staat;
c. het afnemen van een schotrestenonderzoek;
d. het doen van een binnentreding;
e. het doen van huiszoekingen;
f. het observeren van, mogelijke, verdachten;
g. het uitvoeren van een sting operatie;

