Navigatie
← Terug naar overzichtArtikel 11 Sv. - Aangifte
#Lid 1
Een aangifte kan zowel bij een ambtenaar van een opsporingsinstantie als een lid van het openbaar ministerie schriftelijk of mondeling, met een transcript op ambtseed, worden ingediend.
Lid 2
Hoewel de opsporingsinstanties dan wel het openbaar ministerie niet verplicht zijn direct te handelen op een aangifte, zijn zij wel gehouden aan de plicht om elke aangifte als waar te beschouwen en daarmee serieus te nemen. Deze verplichting vervalt bij het blijken van een of meerdere onwaarheden die de rest van de aangifte ongeloofwaardig maken.
Lid 3
Een aangifte intrekken mag slechts in die gevallen waarbij:
a. de aangever uit eigen vrije wil niet langer wrok koestert tegen de vermeende, dader;
b. de aangever een schrijf, dicteer of door verwardheid een fout heeft gemaakt en deze wil intrekken of corrigeren;
Lid 4
Een aangifte dient te bevatten:
a. de naam van de aangever;
b. een beschrijving van hetgeen er gebeurd is;
c. een verklaring waarin de aangever stelt dat hij of zij op de hoogte is van mogelijke vervolging op grond van artikel 171 wetboek van strafrecht;
Afwezigheid van een van deze vormvereisten is geen grond tot onrechtmatigheid van de aangifte, behalve de vereiste van lid 1 onder a.

