Artikel 20 Sv. - Staande houding

Artikel 20 Sv. - Staande houding

Wetboek

Nederbeek

Navigatie

← Terug naar overzicht

Artikel 20 Sv. - Staande houding

#

Lid 1

Een opsporingsambtenaar is bevoegd een persoon of transportmiddel staande te houden om diens identiteit vast te stellen, dan wel om een overtreding begaan door die verdachte te sanctioneren. 

Lid 2

Een staande houding gebeurt in beginsel enkel wanneer er een redelijk vermoede van schuld is ten aanzien van een strafbare gedraging die begaan is door de verdachte die wordt staande gehouden.

Hiervan zijn uitgezonderd de volgende situaties:

a.     een algemene controle in het verkeer uitgevoerd door een opsporingsambtenaar;

b.     algemene controle van identiteitsbewijzen of personen die zich bevinden in een gebied waarvoor een machtiging tot preventief fouilleren is afgegeven

Lid 3

Na het vaststellen van de onschuld van een verdachte dan wel het hebben afgehandeld van een overtreding is een staande gehouden verdachte daarna vrij om zijn weg te vervolgen.

Lid 4

Het bepaalde onder lid 3 vervalt in die gevallen waarin een opsporingsambtenaar niet instaat is de identiteit van de staande gehoudene vast te stellen. In die gevallen is de opsporingsambtenaar bevoegd de staande gehoude persoon af te voeren naar een locatie waar diens identiteit middels aanvullend onderzoek vastgesteld kan worden en de staande gehoude persoon daar te houden tot de identiteit is vastgesteld.