Artikel 21 Sv. - Aanhouding

Artikel 21 Sv. - Aanhouding

Wetboek

Nederbeek

Navigatie

← Terug naar overzicht

Artikel 21 Sv. - Aanhouding

#

Lid 1

Een opsporingsambtenaar is bevoegd een verdachte aan te houden wanneer er:
a.     een redelijk vermoede van schuld bestaat ten aanzien van een strafbaar feit;
b.     na een staande houding blijkt dat de verdachte zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf;
c.     wanneer een verdachte meermaals een stopteken negeert of wegvlucht van een opsporingsambtenaar en staande houding geen redelijke optie is;

Lid 2

In beginsel kan voor zowel een overtreding als misdrijf een aanhouding worden verricht,  echter is een opsporingsambtenaar bevoegd strafbeschikking van overtredingen af te doen in een staande houding.
Bij een misdrijf vindt echter altijd een aanhouding plaats.

Lid 3

Hoewel een aanhouding in beginsel wordt toegepast als voldaan is aan één van de criteria benoemd in lid 1 is een opsporingsambtenaar bevoegd om te kiezen voor een staande houding.

Lid 4

Een aangehouden verdachte wordt:
a.     afgevoerd naar een arrestantencomplex;
b.     daar gecontroleerd op diens identiteit indien dit nog niet gebeurd is;
c.     onderworpen aan verdere strafrechtelijke vervolging;

Lid 5

Indien een aan te houden verdachte wegvlucht of wanneer een opsporingsambtenaar een strafbaar feit ziet gebeuren op of in een plek dan wel ruimte die niet zomaar voor iedere burger toegankelijk is dan wel is afgesloten of vergrendeld, krijgt de opsporingsambtenaar van rechtswege de bevoegdheid tot binnentreding met als doel het bijstaan van eventuele slachtoffers en het aanhouden van de verdachte.