Navigatie
← Terug naar overzichtArtikel 16 Sv. - Bevoegdheden strafrechtelijk onderzoek
#Lid 1
Opsporingsambtenaren beschikken over de volgende bevoegdheden gedurende een onderzoek:
a. open bronnenonderzoek;
b. het inroepen van een plaats delict dan wel het afzetten van een gebied om bewijs veilig te stellen;
c. het in beslag nemen van eigendommen;
d. het doorzoeken dan wel onderzoeken van in beslag genomen voorwerpen;
e. fouilleren of ander lichamelijk onderzoek zoals beschreven in hoofdstuk 3 van de ambtsinstructie;
f. het afnemen van tests op verdovende middelen;
g. het opstellen van getuigenverklaringen;
h. het afnemen van een verhoor;
i. alle bevoegdheden die uit andere wetten blijken en die bijdragen aan het strafrechtelijk onderzoek vallen ook onder dit lid, behoudens uit die wet blijkende restricties.
Lid 2
De leden van het openbaar ministerie zijn gedurende een strafrechtelijk onderzoek verantwoordelijk voor het uitgeven van de volgende bevoegdheden:
a. alle bevoegdheden van opsporingsambtenaren zoals bedoeld onder lid 1,
b. het in beslag nemen van elektronische voorwerpen dan wel de inhoud daarvan, waarvan vermoed wordt dat daar bewijsmateriaal op staat;
c. het afnemen van een schotrestenonderzoek;
d. het doen van een binnentreding;
e. het doen van huiszoekingen;
f. het observeren van, mogelijke, verdachten;
g. het uitvoeren van een sting operatie;

