Wetboeken van Nederbeek

Wetboeken van Nederbeek

Wetboek

Nederbeek

Navigatie

← Terug naar overzicht

Wetboeken van Nederbeek

#

        

Algemene rechtsbeginselen

#

            

Artikel 1 AB - Legaliteitsbeginsel

#

Lid 1

Geen beroep kan worden gedaan op een wet die eerder niet, in zijn huidige vorm, bestond.

Artikel 2 AB - Toepasbaarheid

#

Lid 1

De wetboeken van Nederbeek beschrijven het Nederbeekse recht en zijn de enige wetten die van toepassing zijn binnen Nederbeek.

Artikel 3 AB - Vorderingslimiet

#

Lid 1

Geen juridisch proces mag voor hetzelfde feit ten aanzien van dezelfde persoon meermaals worden aangewend om een juridisch gevolg te verkrijgen.

Artikel 4 AB - Voorang van wetgeving

#

Lid 1

Behoudens de bepalingen in deze wet. Geldt het principe dat specifieke wetgeving voorrang heeft ten opzichte van algemenere bepalingen indien deze strijdig met elkaar zijn.

Artikel 5 AB - Bezwaar en beroep

#

Lid 1

Het maken van bezwaar tegen beslissingen, uit naam, van het Openbaar Ministerie geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het Openbaar Ministerie middels het opstellen van een zogenoemde Juridische Procedure.

Lid 2

Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a.     de naam en relevante gegevens van de indiener en/of raadsman;
b.     de dagtekening;
c.     een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d.     de gronden van het bezwaar of beroep.

Lid 3

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zeven dagen.

De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is genomen en voor zover van toepassing op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt is.

Lid 4

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

niet is voldaan aan de eisen gesteld in lid 1 en 2 of aan enig ander bij de wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep.

Lid 5

De leiding van het Openbaar Ministerie beslist binnen zeven dagen, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Uitstel is mogelijk voor zover:
a.     alle belanghebbenden daarmee instemmen,
b.     dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.
c.     het niet mogelijk is het bezwaar grondig genoeg uit te zoeken binnen één week, mits hiervoor een gegronde reden wordt aangevoerd;

Nederbeeks strafrecht

#

        

Wetboek van strafrecht

#

        

Basisbeginselen

#

Hoofdstraffen
#

Artikel 6 Sr. - Sanctie
#

Lid 1

Strafbare feiten kunnen worden bestraft met een: gevangenisstraf, taakstraf of een geldboete. Daarnaast wordt er onderscheid gemaakt tussen overtredingen en misdrijven, op basis waarvan het strafrecht ook is ingedeeld.

Lid 2

Een gevangenisstraf heeft een maximale duur van 60 maanden. Echter geldt voor de artikelen 150 en 151 Sr. een maximum straf van 90 maanden.

Lid 3

Een taakstraf mag niet bestaan uit meer dan 60 taken.

Lid 4

Een geldboete heeft een maximumbedrag van € 20.000. En zijn onder te verdelen in de volgende categorieën

1e: €2.900

2e: €3.800

3e: €5.100

4e: €7.300

5e: €8.600

Lid 5

De hierboven benoemde sancties mogen enkel worden opgelegd aan zij die schuldig zijn aan een in de wet benoemd strafbaar feit.

Lid 6

Een boete wordt altijd in combinatie met een taakstraf opgelegd voor hetzelfde feit. Er geldt een verbod op het combineren van een celstraf en taakstraf dan wel het combineren van een celstraf en boete voor één en hetzelfde feit.

Lid 7

Een opsporingsambtenaar heeft de bevoegdheid op basis van zijn of haar discretionaire handelingsmarge om een beslissing te nemen tussen een gevangenisstraf of een taakstraf.

Een combinatie van beide sancties is niet mogelijk.

Een opsporingsambtenaar handelt in overeenstemming met lid 6 wanneer hij gebruik maakt van diens discretionaire handelingsmarge.

Lid 8

De in lid 4 beschreven sanctie mag worden opgelegd als vervanging van een gevangenisstraf door een functionaris van het Openbaar Ministerie ten aanzien van een misdrijf.

Lid 9

Iedere overtreding wordt primair bestraft met een geldboete, echter mag een taakstraf worden toegevoegd aan deze geldboete door een functionaris van het Openbaar Ministerie zolang tegelijkertijd een misdrijf ten laste wordt gelegd.

Artikel 7 Sr. - Maatregelen
#

Lid 1

De volgende zaken mogen inbeslaggenomen worden: geld, voertuigen, documenten waaronder rijbewijzen, (zee)containers en goederen.

Lid 2

Een contact of gebiedsverbod mag slechts worden opgelegd voor de duur van een week.

Lid 3

De bovenstaande maatregelen mogen ongeacht de schuld of onschuld van een verdachte worden opgelegd. Zolang dit redelijk en nodig is voor het herstellen of voorkomen van strafbare daden. 

Lid 4

Enkel een veroordeling voor een misdrijf kan resulteren in een negatieve aantekening op het VOG wanneer:

a.     wanneer een opsporingsambtenaar veroordeeld voor een misdrijf;

b.     wanneer een lid van het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf oplegt;
c.     wanneer een lid van het Openbaar Ministerie een taakstraf en/of boete oplegt en niet expliciet opgenomen heeft dat het VOG negatief wordt;

Officieren van Justitie hebben de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid over het VOG. Daarbij mogen zij gemotiveerd afwijken van de bepalingen in dit lid.

Artikel 8 Sr. - Voorwaardelijkheid
#

Lid 1

Een straf dan wel maatregel kan voorwaardelijk worden opgelegd.

Lid 2

Bij een voorwaardelijke oplegging wordt de straf niet ten uitvoer gelegd mits er aan bepaalde eisen voldaan wordt.

Lid 3

Een straf dan wel maatregel mag slechts voor de duur van twee weken worden opgelegd waarna de voorwaardelijke straf of maatregel komt te vervallen.

Lid 4

Het Openbaar Ministerie is vrij om te besluiten welke voorwaarden zij stellen aan een voorwaardelijke straf of maatregel zolang deze redelijk zijn en op het feit betrekking hebben waarvoor de straf of maatregel wordt opgelegd. 

Bij wet is de enige vereiste voorwaarde dat een voorwaardelijk veroordeelde geen misdrijven pleegt.


Artikel 9 Sr. - Gradaties
#

Lid 1

Poging; tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van handelen of uitvoering heeft geopenbaard. 

Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd.

Lid 2

Voorbereiding tot; misdrijf is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij voorbereiding tot een tweede verminderd.

Lid 3

Als dader worden gestraft, zij die een feit plegen, doen plegen of medeplegen.

Lid 4

Medeplichtigheid aan een misdrijf is strafbaar wanneer een persoon betrokken is bij een misdrijf maar in ondergeschiktheid aan de uitvoerders en zich bewust is of had moeten zijn van mogelijk strafbare gedraging door de uitvoerders.

Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij medeplichtigheid met een derde verminderd.

Lid 5

De in de bovenstaande leden bepaalde pleegvormen zijn alleen van toepassing op misdrijven waarvoor een gevangenisstraf geldt van 2 maanden of meer na vermindering.

Artikel 10 Sr. - Stapelwetten
#

Lid 1

Indien een feit in twee artikelen strafbaar wordt gesteld is de strafbare gedraging die het nauwst aansluit bij het gepleegde feit het strafbare feit dat ten laste wordt gelegd.

Lid 2

Bovenstaande houdt niet in dat iemand niet vervolgd kan worden voor meerdere strafbare feiten op basis van één of een aaneengesloten reeks gebeurtenissen. Het doel is om de meest passende straf toe te kennen.

Lid 3

Indien er twijfel bestaat over welke specifieke beschrijving van toepassing is doordat zij beide van toepassing zijn wordt het feit gekozen waarop de hoogste celstraf is gezet.

Artikel 11 Sr. - Uitsluiting en verminderingsgronden
#

Lid 1

Een individu wordt niet gestraft nog veroordeeld voor een strafbaar feit wanneer hij:
a.     dit feit pleegt voor de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of een anders lijf of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke schendingen. Krachtens een beroep op noodweer;
b.     de grenzen van een noodzakelijke verdediging overgaat, zolang deze overschrijding het gevolg is van een heftige emotionele gemoedsbeweging als gevolg van de schending en mits de overschrijding niet te ver buiten proportie is. Middels een beroep op noodweerexces;
c.     ter goeder trouw handelt conform een relevante wettelijke bepaling. Middels een beroep op het handelen conform wettelijk voorschrift.
d.     handelt conform een bevel van een ambtenaar waarbij hij redelijkerwijs niet hoefde te twijfelen aan de rechtmatigheid van de ambtenaar en/ of het bevel. Middels een beroep op het handelen conform een ambtelijk bevel;

Lid 2

Als factoren die kunnen leiden tot strafvermindering mogen in elk geval worden aangevoerd:
a.     persoonlijke gemoedstoestand;
b.     persoonlijke financiële situatie;
c.     persoonlijke ervaringen;

Artikel 12 Sr. - Verjaring
#

Lid 1

Het recht tot strafvervolging vervalt door verjaring,

a.     Voor de straffen die met max 20 maanden worden bedreigd in 6 weken;

b.     Voor de straffen die met max 40 maanden worden bedreigd in 12 weken;

c.     Voor de straffen die met een max 60 maanden worden bedreigd in 18 weken,

Hetgeen bedoelt wordt in Art. 180 en Art. 181 Sr. verjaart nooit.

Overtredingen

#

Openbare Orde & Gezag
#

Artikel 20 Sr. - Belemmering van ambtenaren
#

Lid 1

Hij die een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van diens werk hindert of nodeloos en systematisch stoort, is schuldig aan het belemmeren van ambtenaren

Belemmering van ambtenaren wordt maximaal bestraft met een geldboete van €800,00 en/of 20 taakstraffen.

Artikel 21 Sr. - Belediging van een ambtenaar in functie
#

Lid 1

Hij die een ambtenaar tijdens de uitoefening van diens werk of als gevolg daarvan opzettelijk en doelbewust beledigd, is schuldig aan het beledigen van een ambtenaar in functie.

Beledigen van een ambtenaar in functie wordt maximaal bestraft met een geldboete van €900,00 en/of 5 taakstraffen.

Artikel 22 Sr. - Niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs
#

Lid 1

Hij die niet in staat is om te voldoen aan de verplichting om zich te legitimeren, is schuldig aan het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs.

Het niet kunnen tonen van een legitimatiebewijs wordt maximaal bestraft met een geldboete van €200,00.

Artikel 23 Sr. - Openbaar gebruiken van verdovende middelen
#

Lid 1

Hij die in het openbaar middelen, die de waarneming verstoren, inneemt of onder de invloed van die middelen verkeerd, is schuldig aan het openbaar gebruiken van verdovende middelen.

Het openbaar gebruiken van verdovende middelen wordt maximaal bestraft met een geldboete van maximaal de 1ste categorie en/of 15 taakstraffen

Lid 2

Onder invloed van middelen wordt verstaan de aanwezigheid van: Amfetamine, Methamfetamine, Cocaïne, Cannabis, Opiaten of meer dan 0,5 promille alcohol in het bloed. 

Het weigeren van een alcohol, blaas- of drugs-speekseltest wordt maximaal bestraft met een geldboete van de 1ste categorie.

Artikel 24 Sr. - Verstoring van de openbare orde
#

Lid 1

Hij die op een openbare plek of in een voor het publiek toegankelijke ruimte de orde verstoord, personen lastig valt of vecht, is schuldig aan het verstoren van de openbare orde.

Het verstoren van de openbare orde wordt maximaal bestraft met een geldboete van €900,00 en/of 15 taakstraffen.

Artikel 25 Sr. - Het hinderen en vertragen van het verkeer
#

Lid 1

Hij die al dan niet in een voertuig het verkeer afleidt, belemmert, afremt of omleidt dan wel op een andere manier hinder, zonder daartoe gerechtigd te zijn, is schuldig aan het hinderen en vertragen van het verkeer.

Het hinderen en vertragen van het verkeer wordt maximaal bestraft met een geldboete van €560,00.

Artikel 26 Sr. - Weigeren van een getuigenis
#

Lid 1

Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft, is schuldig aan het weigeren van een getuigenis.

Het weigeren van een getuigenis wordt maximaal bestraft met een geldboete van €900,00.

Artikel 27 Sr. - Weigeren vordering tot hulp
#

Lid 1

Hij die op vordering van het openbaar gezag weigert iemand hulp te verlenen dan wel te assisteren bij het verlenen van hulp terwijl die persoon daartoe wel in staat was, is schuldig aan het weigeren van een vordering tot hulp.

Het weigeren van een vordering tot hulp wordt maximaal bestraft met een geldboete van €1500,00.

Verkeer
#

Artikel 40 Sr. - Negeren van een rood verkeerslicht
#

Lid 1

Hij die linksaf of rechtdoor doorrijdt terwijl hij rood licht had, is schuldig aan het negeren van een rood verkeerslicht.

Negeren van een rood stoplicht wordt maximaal bestraft met een geldboete van €600,00.

Artikel 41 Sr. - Negeren van een stopteken
#

Lid 1

Hij die na meermaals een stopteken of instructie gegeven door een opsporingsambtenaar negeert, terwijl hij in staat was daaraan gehoor te geven zonder het verkeer te belemmeren of in gevaar te brengen, is schuldig aan het negeren van een stopteken.

Negeren van een stopteken wordt maximaal bestraft met een geldboete van €240,00.

Artikel 42 Sr. - Besturen van een voertuig met illegale kenmerken
#

Lid 1

Hij die een voertuig bestuurd dat: geen kenteken, met geblindeerde ramen rijdt, heeft of andere publiek gemaakte eisen gesteld door de politie zoals een WOK kenmerk, is schuldig aan het besturen van een voertuig met illegale kenmerken.

Het besturen van een voertuig met illegale kenmerken wordt maximaal bestraft met een geldboete van €740,00 en een rijontzegging van 24 uur.

Lid 2

Onder illegale kenmerken vallen:

a.     Neonverlichting onder of aan de auto;

b.     Spoiler breder dan de buitenspiegels;

c.     Geen zichtbaar kenteken of ontbrekend kenteken aan de achterkant;

d.     Kapotte voor- of achterruit;

e.     Ontbreken van buitenspiegels;

f.     Meertonige claxon;

g.     Illegale raamtint waardoor de bestuurder niet goed zichtbaar is, minimale lichtdoorlatendheid van 55%; 

h.     De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten anders dan de kleur wit of geel;

Onder de minimale lichtdoorlatendheid wordt verstaan; alles donkerder dan het type "Light Smoke"

Artikel 43 Sr. - Negeren van optische- en geluidssignalen
#

Lid 1

Hij die een voertuig dat optische en/of geluidssignalen voert geen voorrang verleent terwijl dit wel mogelijk is, is schuldig aan het negeren van optische- en geluidssignalen.

Het negeren van optische- en geluidssignalen wordt maximaal bestraft met een geldboete van €440,00.

Artikel 44 Sr. - Negeren van een doorgetrokken streep
#

Lid 1

Hij die over een doorgetrokken streep rijdt waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, is schuldig aan het negeren van een doorgetrokken streep.

Het negeren van een doorgetrokken streep wordt maximaal bestraft met een geldboete van €200,00.

Artikel 45 Sr. - Illegaal parkeren
#

Lid 1

Hij die een voertuig parkeert op een plaats waar dat verboden is door een bord, waardoor het overige verkeer wordt gehinderd of op de stoep terwijl een betere parkeerplaats voorhanden is, is schuldig aan het illegaal parkeren.

Het illegaal parkeren wordt maximaal bestraft met een geldboete van €270,00.

Artikel 46 Sr. - Illegaal keren op de weg
#

Lid 1

Hij die bij een doorgetrokken streep een andere rijrichting opgaat of dit doet op een plaats waar dit expliciet verboden is, is schuldig aan het illegaal keren op de weg.

Het illegaal keren op de weg wordt maximaal bestraft met een geldboete van €220,00.

Artikel 47 Sr. - Rijden onder invloed van alcohol
#

Lid 1

Hij die een voertuig bestuurt, terwijl hij onder invloed is van alcohol is schuldig aan het rijden onder invloed van alcohol.

Het rijden onder invloed van alcohol wordt maximaal bestraft met een geldboete van de €2000,00 en een rijontzegging van 24 uur.

Lid 2

Onder invloed van alcohol wordt verstaan een aanwezigheid van meer dan 0,5 promille alcohol in het bloed.

Het weigeren van een alcohol blaastest wordt maximaal bestraft met een geldboete van de 1ste categorie.

Artikel 48 Sr. - Rijden onder invloed van drugs
#

Lid 1

Hij die een voertuig bestuurt, terwijl hij onder de invloed is van verdovende middelen is schuldig aan het rijden onder invloed van drugs.

Het rijden onder invloed van drugs wordt maximaal bestraft met een geldboete van €2000,00 en een rijontzegging van 24 uur.

Lid 2

Onder invloed van middelen wordt verstaan de aanwezigheid van: Amfetamine, Methamfetamine, Cocaïne, Cannabis of Opiaten, in het lichaam.

Het weigeren van een drugs-speekseltest wordt maximaal bestraft met een geldboete van de 1ste categorie.

Artikel 49 Sr. - Bellen achter het stuur
#

Lid 1

Hij die telefoneert, terwijl hij een voertuig bestuurt waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, is schuldig aan het bellen achter het stuur.

Het bellen achter het stuur wordt maximaal bestraft met een geldboete van €600,00.

Artikel 50 Sr. - Achterlaten van een voertuigwrak op de openbare weg
#

Lid 1

Hij die een voertuig dat niet meer in staat is om te rijden achterlaat op de openbare weg, niet zijnde een parkeerplaats zonder dit te melden en zonder toestemming van die instanties, is schuldig aan het achterlaten van een voertuigwrak op de openbare weg.

Het voertuigwrak achterlaten op de openbare weg wordt maximaal bestraft met een geldboete van €400,00.

Artikel 51 Sr. - Onnodig claxonneren
#

Lid 1

Hij die meermaals zonder aanleiding claxonneert waardoor de openbare rust voor langere tijd wordt verstoord, is schuldig aan het onnodig claxonneren.

Het onnodig claxonneren wordt maximaal bestraft met een geldboete van €200,00.

Artikel 52 Sr. - Spookrijden
#

Lid 1

Hij die tegen de rijrichting inrijdt, niet zijnde een onderdeel van een inhaalmanoeuvre, is schuldig aan spookrijden.

Spookrijden wordt maximaal bestraft met een geldboete van €1600,00.

Artikel 53 Sr. - Rijden met neonlicht aan
#

Lid 1

Hij die neonlicht aan heeft staan op diens auto tijdens de deelname aan het openbaar verkeer, is schuldig aan het rijden met neonlicht aan.

Het rijden met neonlicht aan wordt maximaal bestraft met een geldboete van €800,00.

Artikel 54 Sr. - Snelheidsovertreding 0 tot 25 te hard
#

Lid 1

Hij die tot maximaal 25 km per uur te hard rijdt boven de toegestane snelheid is schuldig aan een snelheidsovertreding  0 tot 25 km/ per uur te hard.

Het plegen van een snelheidsovertreding 0 tot 25 te hard wordt maximaal bestraft met een geldboete van €750,00.

Artikel 55 Sr. - Snelheidsovertreding 25 tot 50 te hard
#

Lid 1

Hij die tussen de 25 en 50 km per uur te hard rijdt boven de toegestane snelheid is schuldig aan een snelheidsovertreding 25 tot 50 km/ per uur te hard.

Het plegen van een snelheidsovertreding 25 tot 50 te hard wordt maximaal bestraft met een geldboete van €1250,00.

Artikel 56 Sr. - Snelheidsovertreding 50+ te hard
#

Lid 1

Hij die tot maximaal 50+ km per uur te hard rijdt boven de toegestane snelheid is schuldig aan een snelheidsovertreding 50+ km/ per uur te hard.

Het plegen van een snelheidsovertreding 50+ te hard wordt maximaal bestraft met een geldboete van €1750,00.

Artikel 57 Sr. - Rijden zonder helm
#

Lid 1

Hij die op een motor of brommer zit die zich in het verkeer begeeft zonder een helm te dragen, is schuldig aan het rijden zonder helm.

Het rijden zonder helm wordt maximaal bestraft met een geldboete van €5200,00.

Artikel 58 Sr. - Rijden zonder verlichting
#

Lid 1

Hij die in het donker of in slecht weer rijdt zonder het licht is schuldig aan het rijden zonder verlichting.

Het rijden zonder verlichting wordt maximaal bestraft met een geldboete van €240,00.

Artikel 59 Sr. - Opzettelijk verslijten van de banden
#

Lid 1

Hij die zijn voertuig zodanig bestuurt waardoor de banden van dat voertuig kapot raken en waardoor een gevaarlijke of hinderende situatie ontstaat, direct na of als gevolg van die kapotte banden is schuldig aan het opzettelijk verslijten van de banden.

Het opzettelijk verslijten van de banden wordt maximaal bestraft met een geldboete van €520,00.

Artikel 60 Sr. - Besturen van een niet apk-gekeurd voertuig
#

Lid 1

Hij wie een voertuig bestuurt op de openbare weg zonder een geldige Apk-keuring, is schuldig aan het besturen van een niet apk-gekeurd is.

Het besturen van een niet apk-gekeurd voertuig zonder een geldige apk-keuring wordt maximaal bestraft met een geldboete van €1860,00.

Lid 2

Schuldig bevinding aan dit feit houdt niet in dat een bestuurder van een niet apk-gekeurd voertuig geen boete mag ontvangen voor het besturen van een illegaal voertuig. Ook al zijn de eigenaar en de bestuurder dezelfde persoon.

Misdrijven

#

Openbare Orde en Gezag
#

Artikel 70 Sr. - Vluchten voor de politie
#

Lid 1

Hij die ontkomt of probeert te ontkomen aan de nasporing van of staande houding, door een opsporingsambtenaar of iemand van het Openbaar Ministerie (OM) en daarbij geen andere strafbare feiten heeft gepleegd. Is schuldig aan vluchten voor de politie.

Vluchten voor de politie wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 7 maanden, 30 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie

Voor vluchten van politie geldt de stapelwet regeling. Zie art: 10 Sr.

Artikel 71 Sr. - Bijdragen aan verhindering van opsporing
#

Lid 1

Hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door opsporingsambtenaren, is schuldig aan bijdragen aan verhindering van opsporing.

Bijdragen aan verhindering van opsporing wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 5 maanden, 25 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie

Artikel 72 Sr. - Opruiing
#

Lid 1

Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbare gezag aanzet. Is schuldig aan opruiing.

Opruiing wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 5 maanden, 15 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie

Artikel 73 Sr. - Brandstichting
#

Lid 1

Hij die opzettelijk brand sticht of een ontploffing teweegbrengt, is schuldig aan brandstichting.

Brandstichting wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 12 maanden, 20 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie

Artikel 74 Sr. - Misbruik alarmnummer 112
#

Lid 1

Hij die opzettelijk zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruikmaakt van een alarmnummer voor publiek, is schuldig aan het misbruiken van het alarmnummer 112.

Misbruik alarmnummer 112 wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 8 maanden, 34 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie

Artikel 75 Sr. - Negeren van een ambtelijk bevel
#

Lid 1

Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdeld, is schuldig aan het negeren van een ambtelijk bevel.

Negeren van een ambtelijk bevel wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 5 maanden, 34 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie

Verkeersmisdrijven
#

Artikel 80 Sr. - Roekeloos rijgedrag
#

Lid 1

Hij die zich zodanig gedraagt dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt, of kan worden veroorzaakt of waardoor het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Is schuldig aan roekeloos rijgedrag.

Roekeloos rijgedrag wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 6 maanden of 30 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie. Tevens is schuldige bevinding aan dit feit voldoende voor het innemen van het rijbewijs.

Lid 2

Een combinatie van de volgende gedragingen wordt sowieso aangemerkt als roekeloos rijgedrag: gevaarlijk inhalen, misbruik maken van vluchtstrook, het overschrijden van de maximumsnelheid met meer dan 50 km per uur, meermaals volledig rood licht negeren, niet zijnde rechts afslaan, spookrijden.

Roekeloos rijgedrag in combinatie met ''rammen'' wordt gezien als poging doodslag. Zie art: 61 Sr. lid 1.

Artikel 81 Sr. - Verlaten van een plaats van een ongeval
#

Lid 1

Hij die bij een verkeersongeval betrokken is of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, wegrijdt terwijl bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht of een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Is schuldig aan het verlaten van een plaats van een ongeval.

Het verlaten van een plaats van een ongeval wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 10 maanden en/of, een geldboete van de 3de categorie. Tevens is schuldige bevinding aan dit feit voldoende voor het innemen van het rijbewijs.

Artikel 82 Sr - Racen op de openbare weg
#

Lid 1

Hij die op de openbare weg een wedstrijd met voertuigen houdt of daaraan deelneemt, is schuldig aan het racen op de openbare weg

Het racen op de openbare weg wordt maximaal bestraft met een gevangenisstraf van 10 maanden, 25 taakstraffen en/of een geldboete van de 3de categorie

Lid 2

Onder wedstrijd wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen. Als deelnemer wordt beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen, en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen.

Lid 3

Als deelnemer wordt beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen, en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen.

Artikel 83 Sr. - Rijden zonder rijbevoegdheid
#

Lid 1

Hij die opzettelijk herhaaldelijk zich op de openbare weg begeeft en tevens niet in het bezit is van een rijbewijs bestemd voor de voertuigcategorie die wordt bestuurd of die een rijontzegging heeft, is schuldig aan het rijden zonder rijbevoegdheid

Rijden zonder rijbevoegdheid wordt gestraft met een gevangenisstraf van 6 maanden, 25 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie

Artikel 84 Sr. - Roekeloos overschrijden van de maximumsnelheid
#

Lid 1

De bestuurder van een gemotoriseerd voertuig die de vastgestelde maximumsnelheid overschrijd met meer dan 50 km per uur, is schuldig aan het roekeloos overschrijden van de maximumsnelheid

Het roekeloos overschrijden van de maximumsnelheid met 50 km/ per uur of meer wordt gestraft met een inbeslagname van het rijbewijs.

Het leven
#

Artikel 90 Sr. - Dood door schuld
#

Lid 1

Hij door wiens schuld een ander om het leven komt, is schuldig aan dood door schuld.

Dood door schuld wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 10 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 2

Hij wiens schuld veroorzaakt is door roekeloosheid wordt als schuldig aan dood door schuld bestraft met een maximale gevangenisstraf van 15 maanden en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 91 Sr. - Doodslag
#

Lid 1

Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, is schuldig aan doodslag.

Doodslag wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 25 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 2

Hij die opzettelijk een ambtenaar in functie of als gevolg van diens functie van het leven berooft, is schuldig aan doodslag.

Doodslag op een ambtenaar wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 30 maanden en/of een geldboete van de 4de categorie.

Lid 3

Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft en dit doet om een strafbaar feit dat voorafging, vergezeld ging of naderhand werd uitgevoerd te vergemakkelijken of voor te bereiden, dan wel om zichzelf of anderen de mogelijkheid te bieden om na betrapping op heterdaad te ontkomen, al dan niet met het onrechtmatig toegeëigende, is schuldig aan gekwalificeerde doodslag.

Gekwalificeerde doodslag wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 50 maanden en/of een geldboete van de 4de categorie.

Artikel 92 Sr. - Moord
#

Lid 1

Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, is schuldig aan moord.

Moord wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 40 maanden en/of een geldboete van de 4de categorie.

Lid 2

Hij die een ambtenaar in functie of als gevolg van diens functie om het leven brengt door moord is schuldig aan de moord op een ambtenaar.

Moord op een ambtenaar wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 45 maanden en/of een geldboete van de 5de categorie.

Stelen van bezit
#

Artikel 100 Sr. - Diefstal
#

Lid 1

Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, is schuldig aan diefstal 

Diefstal wordt bestraft met maximaal een gevangenisstraf van ten hoogste 10 maanden, 25 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 101 Sr. - Gekwalificeerde diefstal
#

Lid 1

Als gekwalificeerde diefstal worden de volgende situaties aangemerkt:

a.     diefstal bij gelegenheid van brand, ontploffing of oproer;

b.     diefstal in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;

c.     diefstal door twee of meer verenigde personen;

d.     diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht, door middel van braak, verbreking, insluiping, inklimming, of door gebruikmaking: Van valse sleutels, van valse order of een vals kostuum;

Gekwalificeerde diefstal wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 15 maanden, 30 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 102 Sr. - Vernieling
#

Lid 1

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, is schuldig aan vernieling.

Vernieling wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 8 maanden, 20 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 103 Sr. - Heling
#

Lid 1

Hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, is schuldig aan heling.

Heling wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 8 maanden, 20 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Hij die meermaals heling heeft gepleegd, niet zijnde eerdere veroordelingen, is schuldig aan gewoonteheling.

Gewoonteheling wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 10 maanden, 20 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 104 Sr. - Oplichting
#

Lid 1

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door list iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een vordering van schuld, wordt, is schuldig aan oplichting

Oplichting wordt bestraft met maximaal een gevangenisstraf van ten hoogste 12 maanden, 15 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 105 Sr. - Overval
#

Lid 1

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolen goed te verzekeren is schuldig aan het plegen van een overval

Een overval wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 12 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 2

Hij die een overval pleegt door zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, insluiping of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 15 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 3

Hij die de overval bewapend pleegt, wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 21 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie

Lid 4

Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, ten behoeve van een overval wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 30 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 5

Indien een overval zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de gevangenisstraf op de hierboven genoemde gedragingen met een derde verhoogd, en/of een geldboete van de 4de categorie.

Lid 6

Als zwaar letsel wordt gezien dat letsel waar een herstelperiode van minimaal 6 weken voor nodig is conform de geldende medische standaarden.

Artikel 106 Sr. - Overval met groot gewin
#

Lid 1

Hij die een overval pleegt bij een organisatie waar veel geld of goederen met een hoge waarde liggen opgeslagen of ter verkoop worden aangeboden, zoals een: Juwelier of bank is schuldig aan een overval met groot gewin.

Voor een overval met groot gewin worden de straffen in artikel 105 Sr. met bijbehorende definities als volgt verhoogd:

Lid 1 wordt verhoogd naar een maximale gevangenisstraf van 25 maanden en/of een geldboete van de 4de categorie

Lid 2 wordt verhoogd naar een maximale gevangenisstraf van 28 maanden en/of een geldboete van de 4de categorie

Lid 3 wordt verhoogd naar een maximale gevangenisstraf van 36 maanden en/of een geldboete van de 4de categorie

Lid 4 wordt verhoogd naar een maximale gevangenisstraf van 42 maanden en/of een geldboete van de 4de categorie

Lid 5 wordt toegepast op de hierboven genoemde leden conform lid 6.

De vrijheid
#

Artikel 110 Sr. - Vrijheidsberoving
#

Lid 1

Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, is schuldig aan vrijheidsberoving,

Vrijheidsberoving wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 20 maanden en/of een geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Hij die opzettelijk een opsporingsambtenaar wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, is schuldig aan vrijheidsberoving van een ambtenaar.

Vrijheidsberoving van een ambtenaar wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 25 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 3

Indien een vrijheidsberoving zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de gevangenisstraf op de hierboven genoemde gedragingen met een derde verhoogd en/of een geldboete van de 4de categorie.

Lid 4

Als zwaar letsel wordt gezien dat letsel waar een herstelperiode van minimaal 6 weken voor nodig is conform de geldende medische standaarden.

Artikel 111 Sr. - Ontvoering
#

Lid 1

Hij die opzettelijk een persoon meeneemt om hem, al dan op een andere locatie of door anderen, van de vrijheid te beroven of beroofd te houden, is schuldig aan ontvoering.

Ontvoering wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 30 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 2

Hij die opzettelijk een opsporingsambtenaar meeneemt om hem, al dan op een andere locatie of door anderen, van de vrijheid te beroven of beroofd te houden, is schuldig aan ontvoering van een ambtenaar.

Ontvoering van een ambtenaarwordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 35 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 3

Indien een ontvoering zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de gevangenisstraf op de hierboven genoemde gedragingen met een derde verhoogd en/of een geldboete van de 4de categorie.

Lid 4

Als zwaar letsel wordt gezien dat letsel waar een herstelperiode van minimaal 6 weken voor nodig is conform de geldende medische standaarden.

Artikel 112 Sr. - Gijzeling
#

Lid 1

Hij die een ander van de vrijheid beroofd of beroofd houdt met het doel om voordeel te verkrijgen of om iets gedaan te krijgen, is schuldig aan gijzeling.

Gijzeling wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 30 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 2

Hij die opzettelijk een opsporingsambtenaar beroofd of beroofd houdt met het doel om voordeel te verkrijgen of om iets gedaan te krijgen, is schuldig aan een gijzeling van een ambtenaar.

een gijzeling van een ambtenaar wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 35 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 3

Indien een gijzeling zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de gevangenisstraf op de hierboven genoemde gedragingen met een derde verhoogd en/of een geldboete van de 4de categorie.

Lid 4

Als zwaar letsel wordt gezien dat letsel waar een herstelperiode van minimaal 6 weken voor nodig is conform de geldende medische standaarden.

De gezondheid en lichaam
#

Artikel 120 Sr. - Mishandeling
#

Lid 1

Hij die een ander letsel toebrengt, is schuldig aan mishandeling.

Mishandeling wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 10 maanden, 20 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Hij die een ambtenaar letsel toebrengt, is schuldig aan mishandeling van een ambtenaar.

Mishandeling van een ambtenaar wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 15 maanden, 40 taakstraffen en/of een  geldboete van de 3de categorie.

Lid 3

Hij die een ander zwaar lichamelijk letsel toebrengt, is schuldig aan zware mishandeling.

Bij zware mishandeling wordt de maximale gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Lid 4

Als zwaar letsel wordt gezien dat letsel waar een herstelperiode van minimaal 6 weken voor nodig is conform de geldende medische standaarden.

Artikel 121 Sr. - Groeps geweldpleging
#

Lid 1

Hij die in het openbaar met andere een of meerdere personen mishandelt of goederen beschadigd dan wel vernield, is schuldig aan groepsgeweldpleging.

Groepsgeweldpleging wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 5 maanden, 10 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Hij die waarneembaar opzettelijk deelneemt aan een aanval of vechtpartij, wordt, behalve als duidelijk is in hoeverre deze persoon heeft bijgedragen aan het gepleegde geweld, is schuldig bevonden aan opzettelijke groepsgeweldpleging.

Opzettelijke groepsgeweldpleging wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 8 maanden, 15 taakstraffen en/of geldboete van de 3de categorie.

Artikel 122 Sr. - Dreiging
#

Lid 1

Hij die een ander dreigt te verwonden of geweld toe te passen op die persoon of diens bezit dan wel een ander met als doel iets van die persoon gedaan te krijgen of om die persoon angst aan te jagen, is schuldig aan dreiging.

Dreiging wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden, 26 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Hij die een opsporingsambtenaar dreigt te verwonden of geweld toe te passen op die persoon of diens bezit dan wel een ander met als doel iets van die persoon gedaan te krijgen of om die persoon angst aan te jagen, is schuldig aan dreiging tegen een ambtenaar.

Dreiging tegen een ambtenaar wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 9 maanden, 34 taakstraffen en/of geldboete van de 3de categorie.

Artikel 123 Sr. - Bedreiging met geweld
#

Lid 1

Hij die een ander middels geweld of een middel om geweld toe te dienen dwingt iets te doen of om die persoon angst aan te jagen, is schuldig aan bedreiging met geweld.

Bedreiging met geweld wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 12 maanden, 30 taakstraffen en/of geldboete van de 3de categorie.

Lid 2

Hij die een opsporingsambtenaar middels geweld of een middel om geweld toe te dienen dwingt iets te doen of om die persoon angst aan te jagen is schuldig aan bedreiging van een ambtenaar met geweld.

Bedreiging van een ambtenaar met geweld wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 18 maanden, 35 taakstraffen en/of geldboete van de 4de categorie.

Artikel 124 Sr. - Wederspannigheid
#

Lid 1

Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een aanhouding van een opsporingsambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn functie, of tegen personen die hem daarbij helpen, is schuldig aan wederspannigheid.

Wederspannigheid wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden, 20 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Privacy
#

Artikel 130 Sr. - Binnendringing
#

Lid 1

Hij die in de woning, een afgeslote ruimte of het erf van een ander, onrechtmatig binnengaat of daar wederrechtelijk is, en die zich niet op de vordering van of vanwege de eigenaar dan wel een andere rechthebbende onmiddellijk van diens of uit diens eigendom weggaat, is schuldig aan binnendringing.

Binnendringing wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 5 maanden, 15 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Indien hij zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen bij het binnendringen wordt als schuldig bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 10 maanden, 18 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Artikel 131 Sr. - Inklimming
#

Lid 1

Hij die binnendringt door ergens overheen of tegenop te klimmen, is schuldig aan inklimming.

Inklimming wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 5 maanden, 25 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Artikel 132 Sr. - Insluiping
#

Lid 1

Hij die binnendringt door middel van listigheden of sluipen dan wel zich laat insluiten, is schuldig aan insluiping.

Insluiping wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 8 maanden, 28 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Artikel 133 Sr. - Inbraak
#

Lid 1

Hij die binnendringt door middel van middelen of kracht die hem de toegang tot die plaats hebben verschaft, is schuldig aan inbraak.

Inbraak wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 10 maanden, 32 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Wapens & munitie
#

Artikel 140 Sr. - Wapen categorieën
#

Lid 1

Wapens behorende tot de 1ste categorie zijn: Steekwapens, Box beugels, messen of andere wapens waarmee snede worden toegebracht, Geluidsdempers voor vuurwapens en nepwapens.

Wapens behorende tot de 2de categorie zijn: Vuurwapens, munitie, elektrische stroomstootwapens, bommen of andere explosieven en gooibare voorwerpen ter verspreiding van vuur. 

Lid 2

Wapens van (sport)schutters en/of jager die daarvoor een vergunning hebben en deze wapens hanteren in het daarvoor bestemd gebied voor het bestemde gebruik worden niet gezien als wapens uit een van de categorieën van lid 1. 
Wapens die worden aangemerkt als zijnde (sport)schutter of jacht wapens zijn een: jachtmes en jachtgeweer met bijbehorende munitie 7.62x54 mmR.

Lid 3

Huiselijke voorwerpen of voorwerpen bedoeld voor de sport dan wel andere alledaagse voorwerpen die een ander leed hebben berokkend of waarvan een dreiging uitgaat door deze openlijk te dragen worden gezien als wapens behorende tot categorie 3. 

Geen dreiging gaat uit van een voorwerp dat openlijk gedragen wordt op een plek waarvan het dragen noodzakelijk is voor het doel van het voorwerp, mits er geen redelijk verzoek van derde is gedaan om het voorwerp tijdelijk op te bergen.

Voorwerpen die kunnen worden gezien als behorende tot categorie 3 zijn een: hamer, honkbalknuppel, handbijlen , slachtmessen en een sneeuwschep.

Artikel 141 Sr. - Verboden wapenbezit
#

Lid 1

Hij die een wapen van categorie 1 al dan niet voor een of door ander: Laat vervaardigen, wijzigen, herstelt, voorhanden heeft, draagt, vervoert, importeert of exporteert, is schuldig aan verboden wapenbezit categorie 1.

Verboden wapenbezit categorie 1 wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 7 maanden en/of geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Hij die een wapen van categorie 2 al dan niet voor een of door ander: Laat vervaardigen, wijzigen, herstelt, voorhanden heeft, draagt, vervoert, importeert of exporteert, is schuldig aan verboden wapenbezit categorie 2.

Verboden wapenbezit categorie 2 wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 12 maanden en/of geldboete van de 3de categorie.

Lid 3

Hij die een ongebruikt steekwapen met een snijkant vrijwillig inlevert, al dan niet voor of na controle van politie, mag niet schuldig worden bevonden aan het bezitten van een verboden wapen.

Lid 4

Hij die een wapen van categorie 3: voorhanden heeft, draagt, openlijk vervoert, is schuldig aan verboden wapenbezit categorie 3.

Verboden wapenbezit categorie 3 wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden en/of geldboete van de 2de categorie.

Artikel 142 Sr. - Verboden handel in wapens
#

Lid 1

Hij die een wapen uit de eerste categorie onrechtmatig overdraagt aan een ander, al dan niet voor een geldelijke beloning, is schuldig aan verboden handel in wapens van categorie 1.

Verboden handel in wapens van categorie 1 wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 12 maanden en/of een geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Hij die een wapen uit de tweede categorie onrechtmatig overdraagt aan een ander, al dan niet voor een geldelijke beloning, is schuldig aan verboden handel in wapens van categorie 2.

Verboden handel in wapens van categorie 2 wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 25 maanden en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 143 Sr. - Bezit van wapenonderdelen
#

Lid 1

Hij die onderdelen, blauwdrukken of andere middelen voor vuurwapens, explosieven of munitie voorhanden heeft of vervoerd, welke enkel aangewend kunnen worden voor het produceren van wapens, zoals beschreven in artikel 140 Sr lid 1 en/ of 2. is schuldig aan het Bezit van wapenonderdelen.

Bezit van wapenonderdelen wordt bestraft met maximaal 18 maanden gevangenisstraf.

Lid 2

Onderdelen, middelen of blauwdrukken die sowieso worden aangemerkt als wapenonderdelen zijn:

a.     blauwdrukken;

b.     lopen van vuurwapens;

c.      mallen;

d.     springstof;

e.     ontstekers;

f.     allerdaagse voorwerpen die vergaard zijn met het doel om er wapens mee te maken;

Opium
#

Artikel 150 Sr. - Drugsbezit
#

Lid 1

Hij die drugs al dan niet voor een of door ander: Laat vervaardigen, voorhanden heeft, vervoerd, importeert of exporteert, is schuldig aan drugsbezit.

Lid 2

Het bezitten van wiet wordt tot en met de hoeveelheid van:

a.     25g niet bestraft;
b.     1000g bestraft met een boete uit de 1st categorie;
c.     2000g bestraft met een boete uit de 2e categorie;
d.     3000g bestraft met een boete uit de 3e categorie;
e.     4000g bestraft met een boete uit de 4e categorie;
f.      5000g bestraft met een boete uit de 5e categorie;
g.      6000g bestraft met een gevangenisstraf van 5 maanden waarbij het gewicht van alle overige aangetroffen wiet naar boven wordt afgerond waarbij elke 1000g 5 maanden toevoegt aan het totaal tot het wettelijke maximum aantal maanden is bereikt;

één joint is gelijkgesteld aan 1g wiet.

Lid 3

Het bezitten van paddo's wordt tot en met de hoeveelheid van:

a.     2000g bestraft met een boete uit de 1st categorie;
b.     4000g bestraft met een boete uit de 2e categorie;
c.     6000g bestraft met een boete uit de 3e categorie;
d.     8000g bestraft met een boete uit de 4e categorie;
e.      10000g bestraft met een boete uit de 5e categorie;
f.      12000g bestraft met een gevangenisstraf van 10 maanden waarbij het gewicht van alle overige aangetroffen paddo's naar boven wordt afgerond waarbij elke 2000g 10 maanden toevoegt aan het totaal  tot het wettelijke maximum aantal maanden is bereikt;

Lid 4

Het bezitten van heroïne wordt tot en met de hoeveelheid van:

a.     500g bestraft met een boete uit de 1st categorie;
b.     1000g bestraft met een boete uit de 2e categorie;
c.     1500g bestraft met een boete uit de 3e categorie;
d.     2000g bestraft met een boete uit de 4e categorie;
e.      2500g bestraft met een boete uit de 5e categorie;
f.      3000g bestraft met een gevangenisstraf van 5 maanden waarbij het gewicht van alle overige aangetroffen heroïne naar boven wordt afgerond waarbij elke 500g 5 maanden toevoegt aan het tot het wettelijke maximum aantal maanden is bereikt;

Lid 5

Het bezitten van meth wordt tot en met de hoeveelheid van:

a.     200g bestraft met een boete uit de 1st categorie;
b.     400g bestraft met een boete uit de 2e categorie;
c.     600g bestraft met een boete uit de 3e categorie;
d.     800g bestraft met een boete uit de 4e categorie;
e.      1000g bestraft met een boete uit de 5e categorie;
f.      12000g bestraft met een gevangenisstraf van 5 maanden waarbij het gewicht van alle overige aangetroffen meth naar boven wordt afgerond waarbij elke 200g 3 maanden toevoegt aan het totaal tot het wettelijke maximum aantal maanden is bereikt;

Lid 6

Het bezitten van moonshine wordt tot en met de hoeveelheid van:

a.     6 flessen bestraft met een boete uit de 1st categorie;
b.     12 flessen bestraft met een boete uit de 2e categorie;
c.     18 flessen met een boete uit de 3e categorie;
d.     24 flessen bestraft met een boete uit de 4e categorie;
e.      30 flessen bestraft met een boete uit de 5e categorie;
f.      36 flessen bestraft met een gevangenisstraf van 5 maanden waarbij het aantal overige aangetroffen flessen naar boven wordt afgerond waarbij elke 6 flessen 3 maanden toevoegt aan het totaal tot het wettelijke maximum aantal maanden is bereikt;

Lid 7

Het bezitten van cocaïne wordt tot en met de hoeveelheid van:

a.     100g bestraft met een boete uit de 1st categorie;
b.     200g bestraft met een boete uit de 2e categorie;
c.     300g bestraft met een boete uit de 3e categorie;
d.     400g bestraft met een boete uit de 4e categorie;
e.      500g bestraft met een boete uit de 5e categorie;
f.      600g bestraft met een gevangenisstraf van 10 maanden waarbij het gewicht van alle overige aangetroffen cocaïne naar boven wordt afgerond waarbij elke 100g 4 maanden toevoegt aan het totaal tot het wettelijke maximum aantal maanden is bereikt;

Lid 8

Het bezitten van ketamine wordt tot en met de hoeveelheid van:

a.     200g bestraft met een boete uit de 1st categorie;
b.     400g bestraft met een boete uit de 2e categorie;
c.     600g bestraft met een boete uit de 3e categorie;
d.     800g bestraft met een boete uit de 4e categorie;
e.     1000g bestraft met een boete uit de 5e categorie;
f.      1200g bestraft met een gevangenisstraf van 10 maanden waarbij het gewicht van alle overige aangetroffen ketamine naar boven wordt afgerond waarbij elke 200g 4 maanden toevoegt aan het totaal tot het wettelijke maximum aantal maanden is bereikt;

Lid 9

Indien er spraken is van meerdere verdovende middelen worden voor alle afzonderlijke middelen de keren dat de straf wordt verzwaard afzonderlijk vastgesteld. Waarna deze worden samengevoegd in de zwaarste drugs categorie die ten laste gelegd kan worden op het gepleegde feit.

Om lid 8 goed te snappen moet je beseffen dat je voor zowel de boetes als de andere straffen steeds met één verzwaring omhoog gaat. Als je dus 1000g wiet bij je hebt is dat 1 verzwaring en als je 18 flessen moonshine zijn 3 verzwaringen oftwel (3+1). Wat betekend een boete van de 4e categorie.

Artikel 151 Sr. - Drugshandel
#

Lid 1

Hij die drugs overdraagt aan een ander al dan niet voor een geldelijke beloning is schuldig aan drugshandel.

Drugshandel wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 10 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Artikel 152 Sr. - Productie van verdovendemiddelen
#

Lid 1

Hij die verdovende middelen beschreven in artikel 150 Sr. produceert, voorhanden heeft of vervoerd, is schuldig aan het produceren of verhandelen van verdovende middelen.

Produceren of verhandelen van verdovende middelen wordt bestraft met maximaal 20 maanden gevangenisstraf.

Lid 2

Hij die enig goed of stof beschreven in artikel 153 Sr. produceert is schuldig aan het produceren of verhandelen van verdovende middelen

Artikel 153 Sr. - Bezit productie middelen
#

Lid 1

Hij die middelen of stoffen voorhanden heeft of vervoerd, welke enkel aangewend kunnen worden voor het produceren van verdovende middelen, zoals beschreven in artikel 150 Sr. is schuldig aan het Bezitten van productie middelen.

Het bezitten van productie middelen wordt bestraft met maximaal 15 maanden gevangenisstraf.

Lid 2

Middelen of stoffen die worden aangemerkt als productie middelen zijn:

a.     papaver, morfine, heroïne, methylamino, monohydrochloride, cyclohexanon, chlorophenyl, cyclopentanol, methylbenzimidoyl, vloeibare ketamine, natrium carbonaat, cocaïne pasta, onversneden cocaïne 

b.     verdovende middelen die nog niet zijn verpakt;

c.     takken, bladeren, zaden of kweekgerei van dan wel voor de planten: AK-47, Amnesia, G13, Plushberry, Purple Haze, Silver Haze 

De goede naam
#

Artikel 160 Sr. - Smaad
#

Lid 1

Hij die middels spraak, geschrift, afbeelding, video of een andere vorm een anders goede reputatie schaadt of probeert te beschadigen door het publiek maken van informatie, is schuldig aan smaad.

Smaad wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 7 maanden, 25 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Hij smaadt, pleegt ten aanzien van een ambtenaar, is schuldig aan ambtelijke smaad.

Ambtelijke smaad wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 12 maanden, 32 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Lid 3

Hij die smaad of ambtelijke smaad pleegt, met hoofdzakelijk het doel om anderen te waarschuwen voor wanpraktijken door een persoon of groep en dit op een redelijke wijze doet, mag niet schuldig bevonden worden aan smaad.

Artikel 161 Sr. - Laster
#

Lid 1

Hij die smaad pleegt, maar weet dat hetgeen hij verkondigd onjuist is, is schuldig aan laster.

Laster wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 10 maanden, 28 taakstraffen en/of geldboete van de 2de categorie.

Artikel 162 Sr. - Klacht eis
#

Lid 1

Smaad, ambtelijke smaad en laster zijn delicten die enkel mogen worden vervolgd als daarvoor een verzoek is gedaan middels een aanklacht.

Valsheid
#

Artikel 170 Sr. - Afleggen van een valse verklaring
#

Lid 1

Hij die bewust een valse of onvolledige verklaring aflegt ten overstaan van een opsporingsambtenaar of iemand van het Openbaar Ministerie in een strafrechtelijk onderzoek is schuldig aan het afleggen van een valse verklaring.

Het afleggen van een valse verklaring wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 18 maanden, 30 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 171 Sr. - Valse aangifte
#

Lid 1

Hij die een aangifte doet tegen een persoon wetende dat het feit waarvan hij die persoon beschuldigd niet is gebeurd, is schuldig aan het doen van een valse aangifte.

Het doen van een valse aangifte wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 18 maanden, 30 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 172 Sr. - Meineed
#

Lid 1

Hij die onder ede is geplaatst door een magistraat en daarna bewust een valse verklaring aflegt ten overstaan van die magistraat of opsporingsambtenaren in het gesprek waarvoor de onder edestelling is toegepast, is schuldig aan meineed.

Meineed wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 25 maanden, 40 taakstraffen en/of een geldboete van de 3de categorie.

Artikel 173 Sr. - Vernietigen of vervalsen van bewijs
#

Lid 1

Hij die bewijs waarvan hij weet of redelijkerwijs mag vermoeden dat bijdraagt aan het bewijzen van enig feit, vernietigd, aanpast of zoekmaakt, is schuldig aan het vernietigen of vervalsen van bewijs.

Het vernietigen of vervalsen van bewijs wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 10 maanden, 23 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 174 Sr. - Weigeren te tonen identificatie
#

Lid 1

Hij die opzettelijk niet voldoet aan de verplichting om zich te identificeren middels een geldig identiteitsbewijs of vingerscan aan aan een ambtenaar, nadat hier uitdrukkelijk om gevraagd wordt vanuit de ambtenaar die op dat moment in functie getreden is, is schuldig aan het weigeren te tonen identificatie.

Het weigeren te tonen identificatie wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 5 maanden, 15 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 175 Sr. - Identiteitsfraude
#

Lid 1

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruikt met het oogmerk om zijn identiteit te verhullen of de identiteit van een ander te verhullen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel of gewin kan ontstaan, is schuldig aan identiteitsfraude

Identiteitsfraude wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden, 18 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Ambtsmisdrijven
#

Artikel 180 Sr. - Corruptie
#

Lid 1

De ambtenaar die door giften, beloften of ander persoonlijk gewin wordt aangezet of uit eigen beweging de macht dan wel bevoegdheden van zijn ambt misbruikt, is schuldig aan corruptie.

Corruptie wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 90 maanden en/of een geldboete van € 20.000.

Artikel 181 Sr. - Plichtsverzuim
#

Lid 1

Hij die een ambt bekleedt en de taken van dat ambt niet, niet volledig of onzorgvuldig uitvoert, waardoor onnodig letsel, schade of ander leed is ontstaan, dat redelijkerwijs voorkomen had kunnen worden, is schuldig aan plichtsverzuim

Plichtsverzuim wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 90 maanden en/of een geldboete van € 20.000.

Artikel 182 Sr. - Omkoping van een ambtenaar
#

Lid 1

Hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om in zijn bediening iets te doen of na te laten, is schuldig aan Omkoping van een ambtenaar

Omkoping van een ambtenaar wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 5 maanden, 25 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Artikel 183 Sr. - Openbaar maken van ambtelijke geheimen
#

Lid 1

Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij die enkel weet door het bekleden van een ambt, beroep of door toepassing van een wettelijk voorschrift dan wel van een vroeger ambt of beroep dat niet openbaar gemaakt mag worden, opzettelijk openbaar maakt of openbaar laat maken, is schuldig aan het openbaar maken van ambtelijke geheimen.

Het openbaar maken van ambtelijke geheimen wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 8 maanden, 40 taakstraffen en/of een geldboete van de 4de categorie.

Economie & Milieu
#

Artikel 190 Sr. - Belastingfraude
#

Lid 1

Hij die ongeregistreerd geld voorhanden heeft, produceert, verhandelt of laat verhandelen. Is schuldig aan belastingfraude

Belastingfraude wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 1 maand per 1200 euro aangetroffen ongeregistreerd geld, maar niet hoger dan maximaal 20 maanden.

Lid 2

Met ongeregistreerd geld wordt bedoeld: geld dat niet is aangegeven bij de Belastingdienst en dat daar dus ook geen belasting op kan worden geheven.

Artikel 191 Sr. - Wanbetaling openstaande geldboetes
#

Lid 1

Hij die meer dan € 20.000 aan onbetaalde geldboetes heeft open staan, is schuldig aan wanbetaling openstaande geldboetes

Wanbetaling openstaande geldboetes wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van 1 maand per 1100 euro openstaande geldboete, maar niet hoger dan 45 maanden.

Lid 2

Bij het niet voldoen van een betalingsregeling geldt een verhoging van eenderde op bovengenoemde berekening.

Lid 3

Boetes die conform de wet op de bedrijfsvoering zijn opgelegd hoeven niet te voldoen aan het minimaal vereiste bedrag in lid 1 en zijn direct vervolgbaar voor dit artikel.

Artikel 192 Sr. - Excentrieke stroperij
#

Lid 1

Hij die een dier, behorende tot een beschermde diersoort, dood, verwond, vangt, bemachtigt of met het oog daarop op te sporen is schuldig aan excentrieke stroperij

Excentrieke stroperij wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 5 maanden, 20 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Onder beschermde diersoorten wordt in dit artikel verstaan: de chimpansee en de zebra.

Artikel 193 Sr. - Handel in bedreigde diersoorten
#

Lid 1

Hij die dieren dan wel eieren, nesten, producten of delen van dieren, behorende tot een beschermde diersoort, bestelt,  koopt of verwerft, voor verkoop voorhanden of in voorraad heeft, voor verkoop aanbiedt, vervoert, gebruikt voor commercieel gewin, huurt of verhuurt, ruilt of voor ruil aanbiedt, uitwisselt of tentoonstelt voor handelsdoeleinden, importeert of exporteert, is schuldig aan handel in bedreigde diersoorten

Handel in bedreigde diersoorten wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 4 maanden, 18 taakstraffen en/of een geldboete van de 2de categorie.

Lid 2

Onder beschermde diersoorten wordt in dit artikel verstaan: de bergleeuw, de chimpansee en de zebra

Georganiseerde criminaliteit
#

Artikel 200 Sr. - Deelname aan een criminele organisatie
#

Lid 1

Hij die bewust of onbewust maar redelijkerwijs beter had moeten weten deelneemt aan een organisatie of groep die organisatorische kenmerken heeft en welke groep of organisatie tot doel heeft het plegen van misdrijven, is schuldig aan het deelnemen aan een criminele organisatie.

Deelname aan een criminele organisatie wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 15 maanden en/of een geldboete van de 3de categorie.

Lid 2

De oprichters, leiders of bestuurders van een criminele organisatie worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 24 maanden en/of een geldboete van de 4de categorie.

Lid 3

Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt onder andere bedoeld het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun en het werven van geld of personen voor deze organisatie.

Artikel 201 Sr. - Terroristische daad
#

Lid 1

Voor alle strafbare feiten die worden gepleegd ter voorbereiding of met het doel een terroristische daad te plegen, geldt dat de maximale gevangenisstraf die mag worden opgelegd voor dat feit met twee derde wordt verhoogd.

Het plegen van een terroristische daad wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 50 maanden en/of een geldboete van de 5de categorie.

Artikel 202 Sr. - Deelnemen aan een terroristische organisatie
#

Lid 1

Hij die deelneemt aan een organisatie die als doel heeft het plegen van terroristische misdrijven is schuldig aan het deelnemen aan een terroristische organisatie.

Deelname aan een terroristische organisatie wordt bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten hoogste 25 maanden en/of een geldboete van de 5de categorie.

Lid 2

De oprichters, leiders of bestuurders van een terroristische organisatie worden gestraft met levenslange gevangenisstraf van ten hoogste 50 maanden en/of een geldboete van de 5de categorie.

Wetboek van strafvordering

#

        

Algemene bepalingen strafvordering

#

Artikel 1 Sv. - Gestapelde aanklacht
#

Lid 1

De aanklacht tegen een verdachte mag niet meer worden gewijzigd vanaf het moment dat deze wordt voorgelegd aan een magistraat met als doel de definitieve schuld en straf van een verdachte te laten beoordelen. Hieronder wordt niet verstaan het verhoor dat vooraf plaats vindt om de schuld van de verdachte vast te stellen.

Lid 2

Indien een magistraat een verdachte vrijspreekt van de in de aanklacht benoemde feiten dan mag conform artikel 2 Sr. lid 2 geen verdere vervolging voor die gedragingen opnieuw worden geopend, behoudens de wettelijke uitzonderingen.

Lid 3

Een aanklacht bevat altijd de strafbare gedragingen van verdachte en de ten laste gelegde feiten.

Lid 4

Een aanklacht mag tevens alternatieve feiten bevatten waarover de magistraat een oordeel kan vellen indien hij besluit dat één of meerdere ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn.

Artikel 2 Sv. - De rechten van een arrestant
#

Lid 1

Een individu wordt een arrestant op het moment dat hij succesvol is aangehouden krachtens een rechtsgeldig arrestatiebevel dan wel op heterdaad is aangehouden.

Lid 2

Een arrestant heeft krachtens de wet onvervreemdbare rechten die hem terstond medegedeeld moeten worden, dan wel binnen redelijke termijn:
a.     de arrestant heeft het recht om te zwijgen;
b.     de arrestant heeft het recht op, zelfstandig verworven, rechtsbijstand; 

Tevens heeft een arrestant rechten die hem niet geweigerd mogen worden maar, die hem niet medegedeeld hoeven te worden:
c.     de arrestant heeft recht op medische hulp en het verkrijgen van eerste levensbehoefte;
d.     de arrestant heeft recht op een tolk;

Lid 3

De arrestant moet nadat hij is gearresteerd zo snel mogelijk op de hoogte worden gesteld van zijn rechten, indien dit niet ter plaatse kan gebeuren dan gebeurt het zo snel mogelijk daarna. In elk geval is de arrestant op de hoogte gesteld van zijn rechten voordat hem enige vragen gesteld mogen worden met betrekking tot het feit of de feiten waarvan hij verdacht wordt, niet zijnde het vaststellen van de identiteit van de arrestant.

Onderzoek

#

Artikel 10 Sv. - Reden onderzoek
#

Lid 1

Strafrechtelijk onderzoek kan worden ingesteld nadat:
a.     een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie een aangifte ontvangt, dit recht vervalt op het moment dat deze aangifte wordt ingetrokken dan wel herroepen. Echter geldt dit niet meer op het moment dat er al sporen zijn aangetroffen van een strafbaar feit of er spraken lijkt te zijn van een onvrijwillige intrekking;
b.     een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie tijdens of na een arrestant aangehouden te hebben het feit verder wil onderzoeken;
c.     een opsporingsambtenaar dan wel een lid van het openbaar ministerie kennis neemt van een gepleegd strafbaar feit;

Artikel 11 Sv. - Aangifte
#

Lid 1

Een aangifte kan zowel bij een ambtenaar van een opsporingsinstantie als een lid van het openbaar ministerie schriftelijk of mondeling, met een transcript op ambtseed, worden ingediend.

Lid 2

Hoewel de opsporingsinstanties dan wel het openbaar ministerie niet verplicht zijn direct te handelen op een aangifte, zijn zij wel gehouden aan de plicht om elke aangifte als waar te beschouwen en daarmee serieus te nemen. Deze verplichting vervalt bij het blijken van een of meerdere onwaarheden die de rest van de aangifte ongeloofwaardig maken.

Lid 3

Een aangifte intrekken mag slechts in die gevallen waarbij:
a.     de aangever uit eigen vrije wil niet langer wrok koestert tegen de vermeende, dader;
b.     de aangever een schrijf, dicteer of door verwardheid een fout heeft gemaakt en deze wil intrekken of corrigeren;

Lid 4

Een aangifte dient te bevatten:
a.     de naam van de aangever;
b.     een beschrijving van hetgeen er gebeurd is;
c.     een verklaring waarin de aangever stelt dat hij of zij op de hoogte is van mogelijke vervolging op grond van artikel 171 wetboek van strafrecht;

Afwezigheid van een van deze vormvereisten is geen grond tot onrechtmatigheid van de aangifte, behalve de vereiste van lid 1 onder a.

Artikel 12 Sv. - Heterdaad
#

Lid 1

Er is slechts sprake van een heterdaad wanneer:

a.     een ambtenaar strafbare gedragingen waarneemt;

b.     en zij met zekerheid kunnen zeggen dat degene die zij aanhouden de ene is die het feit heeft gepleegd;

Artikel 13 Sv. - Vernemen strafbaar feit
#

Lid 1

Een opsporingsambtenaar dan wel het openbaar ministerie kan kennisnemen van een strafbaar feit door:

a.     zich op een plek te bevinden waar sporen van een strafbaar feit te zien, te vinden dan wel gevonden zijn;

b.     op basis van een anonieme melding;

c.     op basis van verklaringen of getuigenissen die wijzen naar een plek waarop het gestelde onder a van toepassing is;

Artikel 14 Sv. - Bevoegdheid onderzoek
#

Lid 1

Opsporingsambtenaren zijn onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van onderzoek in de gevallen die zijn beschreven in artikel 10 Sv. 

Lid 2

Het openbaar ministerie mag middels regelingen en voorschriften afwijken van dit artikel en opsporingsambtenaren middels dergelijke regelingen of voorschriften blijvende toestemming verlenen tot het doen van bepaalde strafrechtelijke onderzoeken;

Artikel 15 Sv. - Inperking
#

Lid 1

De bepalingen van deze titel kunnen worden ingeperkt, overgedragen of worden voorzien van extra criteria, krachtens besluiten, regelingen of voorschriften.

Lid 2

De instanties bevoegd tot het opstellen van dergelijke voorschriften zijn in toenemende mate van ondergeschiktheid:

a.     het openbaar ministerie;

b.     een opsporingsinstantie;

Lid 3

De wet kan eisen stellen aan het gebruik of het moment dan wel wijze waarmee een bepaalde bevoegdheid mag worden ingezet. 

Artikel 16 Sv. - Bevoegdheden strafrechtelijk onderzoek
#

Lid 1

Opsporingsambtenaren beschikken over de volgende bevoegdheden gedurende een onderzoek:

a.     open bronnenonderzoek;

b.     het inroepen van een plaats delict dan wel het afzetten van een gebied om bewijs veilig te stellen;

c.     het in beslag nemen van eigendommen;

d.     het doorzoeken dan wel onderzoeken van in beslag genomen voorwerpen;

e.     fouilleren of ander lichamelijk onderzoek zoals beschreven in hoofdstuk 3 van de ambtsinstructie;

f.     het afnemen van tests op verdovende middelen;

g.     het opstellen van getuigenverklaringen;

h.     het afnemen van een verhoor;

i.     alle bevoegdheden die uit andere wetten blijken en die bijdragen aan het strafrechtelijk onderzoek vallen ook onder dit lid, behoudens uit die wet blijkende restricties.

Lid 2

De leden van het openbaar ministerie zijn gedurende een strafrechtelijk onderzoek verantwoordelijk voor het uitgeven van de volgende bevoegdheden:

a.     alle bevoegdheden van opsporingsambtenaren zoals bedoeld onder lid 1,

b.     het in beslag nemen van elektronische voorwerpen dan wel de inhoud daarvan, waarvan vermoed wordt dat daar bewijsmateriaal op staat;

c.     het afnemen van een schotrestenonderzoek;

d.     het doen van een binnentreding;

e.     het doen van huiszoekingen;

f.     het observeren van, mogelijke, verdachten;

g.     het uitvoeren van een sting operatie;

Vrijheidsontneming

#

Artikel 20 Sv. - Staande houding
#

Lid 1

Een opsporingsambtenaar is bevoegd een persoon of transportmiddel staande te houden om diens identiteit vast te stellen, dan wel om een overtreding begaan door die verdachte te sanctioneren. 

Lid 2

Een staande houding gebeurt in beginsel enkel wanneer er een redelijk vermoede van schuld is ten aanzien van een strafbare gedraging die begaan is door de verdachte die wordt staande gehouden.

Hiervan zijn uitgezonderd de volgende situaties:

a.     een algemene controle in het verkeer uitgevoerd door een opsporingsambtenaar;

b.     algemene controle van identiteitsbewijzen of personen die zich bevinden in een gebied waarvoor een machtiging tot preventief fouilleren is afgegeven

Lid 3

Na het vaststellen van de onschuld van een verdachte dan wel het hebben afgehandeld van een overtreding is een staande gehouden verdachte daarna vrij om zijn weg te vervolgen.

Lid 4

Het bepaalde onder lid 3 vervalt in die gevallen waarin een opsporingsambtenaar niet instaat is de identiteit van de staande gehoudene vast te stellen. In die gevallen is de opsporingsambtenaar bevoegd de staande gehoude persoon af te voeren naar een locatie waar diens identiteit middels aanvullend onderzoek vastgesteld kan worden en de staande gehoude persoon daar te houden tot de identiteit is vastgesteld.

Artikel 21 Sv. - Aanhouding
#

Lid 1

Een opsporingsambtenaar is bevoegd een verdachte aan te houden wanneer er:
a.     een redelijk vermoede van schuld bestaat ten aanzien van een strafbaar feit;
b.     na een staande houding blijkt dat de verdachte zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf;
c.     wanneer een verdachte meermaals een stopteken negeert of wegvlucht van een opsporingsambtenaar en staande houding geen redelijke optie is;

Lid 2

In beginsel kan voor zowel een overtreding als misdrijf een aanhouding worden verricht,  echter is een opsporingsambtenaar bevoegd strafbeschikking van overtredingen af te doen in een staande houding.
Bij een misdrijf vindt echter altijd een aanhouding plaats.

Lid 3

Hoewel een aanhouding in beginsel wordt toegepast als voldaan is aan één van de criteria benoemd in lid 1 is een opsporingsambtenaar bevoegd om te kiezen voor een staande houding.

Lid 4

Een aangehouden verdachte wordt:
a.     afgevoerd naar een arrestantencomplex;
b.     daar gecontroleerd op diens identiteit indien dit nog niet gebeurd is;
c.     onderworpen aan verdere strafrechtelijke vervolging;

Lid 5

Indien een aan te houden verdachte wegvlucht of wanneer een opsporingsambtenaar een strafbaar feit ziet gebeuren op of in een plek dan wel ruimte die niet zomaar voor iedere burger toegankelijk is dan wel is afgesloten of vergrendeld, krijgt de opsporingsambtenaar van rechtswege de bevoegdheid tot binnentreding met als doel het bijstaan van eventuele slachtoffers en het aanhouden van de verdachte.

Vervolging

#

Artikel 30 Sv. - De verdachte
#

Lid 1

Als verdachte wordt aangemerkt hij tegen wie vervolging ten aanzien van een strafbaar feit is aangevangen.

Lid 2

Vervolging is aangevangen op het moment dat een individu:

a.     aangehouden is voor een strafbare gedraging;

b.     verhoord wordt 

c.     een dagvaarding heeft ontvangen voor diens terechtzitting;

Bewijsmaterieel

#

Artikel 41 Sv. - Bewijsminimum
#

Lid 1

Geen feit is bewezen op grond van slechts één bewijsmiddel.

Slechts een verklaring van een opsporingsambtenaar op eed gesteld mag dienen als genoeg bewijs om iemand te veroordelen voor en strafbaar feit voor zover het bewijs hier toereikend genoeg voor is.

Artikel 42 Sv. - Bewijsmiddelen
#

Lid 1

Als wettig en overtuigend bewijs wordt aangemerkt:

a.     al het rechtmatig verkregen bewijs dat is verkregen middels strafrechtelijk onderzoek;

b.     bewijsmateriaal dat is verkregen met rechtmatig gebruikte en uitgevoerde bevoegdheden;

c.     getuigenverklaringen;

Artikel 43 Sv. - Getuigenverklaring
#

Lid 1

Bij het opstellen van een getuigenverklaring stelt de ambtenaar deze onder ambtseed op namens de getuigen. Een getuige verklaring dient te bevatten:

a. de naam van de getuige;

b. een beschrijving van hetgeen wat er gebeurd is;

c. de eventuele persoonlijke verhouding die de getuige heeft met een van de betrokkenen;

d. afwezigheid van een van deze vormvereisten is geen grond tot onrechtmatigheid van de getuigenverklaring, behalve de vereiste van lid 1 onder a.

Lid 2

Het valselijk afleggen van een getuigenis wordt voor de wet gelijkgesteld als het doen van een valse aangifte zoals bedoeld in artikel 141 wetboek van strafrecht,

Veroordeling

#

Artikel 50 Sv. - Schuldigheidsbevinding
#

Lid 1

Een verdachte mag slechts schuldig worden bevonden aan een strafbaar feit, indien er:

a.     voldoende wettig bewijs is om de beschreven strafbare gedraging te bewijzen;

b.     voldoende overtuiging leeft bij de ambtenaar die iemand schuldig bevindt aan een strafbaar feit, omtrent de vraag of de verdachte het feit wel gepleegd heeft;

c.     er geen wettelijke gronden zijn waarop schuldig bevinding aan een strafbaar feit niet meer mogelijk is dan wel die het feit rechtvaardigen;

Lid 2

Voor de overtuiging zijn drie zaken wettelijk van belang:

a.     de oordelend ambtenaar dient voor zover mogelijk inzicht te krijgen in het motief van de verdachte;

b.     de oordelend ambtenaar dient vast te stellen of de verdachte in de gelegenheid was om het strafbare feit te plegen;

c.     de oordelend ambtenaar dient het aantal en de waarschijnlijkheid van alternatieve scenario's te overwegen;

Afwezigheid van één of meerdere van deze punten hoeft niet direct te leiden tot vrijspraak voor het ten laste gelegde.

Artikel 51 Sv. - Rechtspraak
#

Lid 1

In beginsel is een rechter als enige bevoegd om te oordelen over de schuldbevinding aan een strafbaar feit.

Lid 2

Echter verkrijgt hij deze bevoegdheid pas op het moment dat:

a.     het Openbaar Ministerie een verdachte dagvaard;

b.     een verdachte zijn zaak wil laten beoordelen door een onafhankelijke rechter;

Lid 3

De rechtbank heeft echter de bevoegdheid om een voorgelegde zaak niet te behandelen indien:

a.     de rechtbank het niet van belang acht een zaak aan te horen;

b.     geen redenen ziet om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het Openbaar Ministerie;

c.     het niet wenselijk, dan wel mogelijk acht om op redelijke termijn te oordelen over een zaak

Daarnaast is de rechtbank bevoegd om regelingen op te stellen omtrent de criteria die zij stellen aan het mogelijk horen van een zaak en op grond waarvan het Openbaar Ministerie dan wel een opsporingsambtenaar een verzoek aan de rechter mag afwijzen als ware het een besluit van de rechtbank.

Artikel 53 Sv. - Voorgeleiding bij een hulp Officier van Justitie
#

Lid 1

Een aangehouden verdachte dient altijd voorgeleid te worden aan een hulp Officier van Justitie. Die niet betrokken is geweest bij de aanhouding, de bewijsvergaring of een eventueel strafrechtelijk onderzoek.

Lid 2

De Hulp Officier van Justitie hoort de verklaringen van de opsporingsambtenaar aan en weegt de bewijslast. Daarnaast hoort deze de verdachte.

Lid 3

De Hulp Officier van Justitie velt vervolgens een oordeel over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezen is en zo ja legt een passende straf op. Daarbij houdt de Hulp Officier van Justitie rekening met:

a.     de persoonlijke omstandigheden en aard van de verdachte;

b.     eventuele fouten die zijn gemaakt door opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie;

c.     de ernst en/ of de maatschappelijke impact van het bewezen feit dan wel de wijze waarop dit gepleegd is;

d.     alle andere zaken die voor een passende strafmeting van belang kunnen zijn;

Artikel 54 Sv. - Voorgeleiding bij een Officier van Justitie
#

Lid 1

Slechts in de volgende gevallen mag een zaak worden voorgeleid aan een Officier van Justitie:

a.     indien er geen, geschikte, hulp Officier van Justitie beschikbaar is;

b.     indien het een zaak betreft waarbij het Openbaar Ministerie voor langere tijd onderzoek gedaan heeft;

c.     indien een Officier van Justitie een voorgeleiding wenst over te nemen;

Daarnaast dient een Officier van Justitie betrokken te worden bij elke voorgeleiding waarbij een klacht of onenigheid bestaat over het handelen van de hulp Officier van Justitie.

Lid 2

De Officier van Justitie heeft bij een voorgeleiding dezelfde rechten en plichten als een hulp Officier van Justitie. 

Een Officier van Justitie kan echter in het geval van een klacht of onenigheid besluiten zich alleen te mengen in het punt waar de klacht of de onenigheid over gaat en de voorgeleiding verder over te laten aan de hulp Officier van Justitie.

Artikel 55 Sv. - Strafbeschikking vanuit de politie
#

Lid 1

Indien er geen lid van het Openbaar Ministerie is om een zaak aan voor te geleiden is een opsporingsambtenaar bevoegd om een strafbeschikking op te leggen waarmee hij een verdachte schuldig bevind aan een volgens hem bewezen feit.

Lid 2

Hierbij gedraagt de opsporingsambtenaar zich, voor zover van hem verwacht mag worden, redelijk ten opzichte van het wegen van het bewijs en de uiteindelijke bewezenverklaring.

Lid 3

Het is een opsporingsambtenaar niet toegestaan om een andere straf op te leggen dan de hoofdstraf die door de wet op een strafbaar feit is gesteld.

Bevoegdheden en machtigingen

#

Artikel 60 Sv. - Openbronnenonderzoek
#

Lid 1

Onder openbronnenonderzoek wordt verstaan:

a.     het doorzoeken van voor het publiek toegankelijke bronnen van informatie;

b.     het gebruiken van vastgestelde en voor het publiek bekende feiten van algemene aard;

c.     het gebruiken van wetenschappelijk onderzoek;

d.     het gebruiken van informatie die vrijwillig en zonder enig uitdrukkelijk verzoek verkregen is;

e.     informatie die opgeslagen staat in politie systemen dan wel andere strafrechtelijke informatie;

Lid 2

Het doel van een openbronnenonderzoek is het aanvullen van de bewijslast ten aanzien van een verdachte en teven het opsporen van mogelijke misdragingen dan wel verdachte feiten die nader strafrechtelijk onderzoek nodig kunnen hebben.

Artikel 61 Sv. - Plaatsdelict
#

id 1

Het inroepen van een plaatsdelict houdt in dat:

a.     een plek of ruimte dan wel de toegang tot die plek of ruimte voor enige tijd mag worden afgeschermd met een lint, zegels, voertuig(en), person(en) of op andere wijze;

b.     mogelijk bewijsmateriaal beschouwd, onderzocht, meegenomen  en/of in beslag genomen mag worden van die plek;

c.     eventuele lijken of gewonde personen, beschouwd, onderzocht en verder medisch worden verwerkt. Voor zover hier door het geldende recht geen beperkingen aan worden gesteld;

d.     het tijdelijk verbieden of stop zetten van, voorgenomen, wijzigingen ten aanzien van objecten of plaatsen die als geheel als bewijsmateriaal worden gezien, maar door hun aard niet te verplaatsen zijn;

Lid 2

Het inroepen van een plaats delict mag enkel gebeuren wanneer er minstens een vermoede bestaat dat er op de aan te wijze plek bewijsmateriaal aanwezig is wat kan leiden tot of bijdragen aan een vervolging voor een strafbare gedraging dan wel als tegenbewijs kan dienen voor eventuele verdenkingen tegen verdachte. 

Lid 3

Een plaats delict mag worden ingeroepen door elke ambtenaar van politie. En mag ook enkel door hun en leden van het Openbaar Ministerie zonder voorafgaande toestemming en zonder begeleiding worden betreden.

Lid 4

Een plaats delict dient zo snel mogelijk weer ter beschikking te worden gesteld aan de eigenaar of het publiek, voor zover dit daarvoor ook het geval was. De politie is bevoegd een plaats delict voor maximaal 1 uur nadat de plaats delict is ingeroepen te handhaven. Daarna dienen zij zo snel mogelijk, maar minstens binnen 24 uur toestemming te krijgen van het Openbaar Ministerie. Welke deze plaats delict voor maximaal 7 dagen mag handhaven waarna opnieuw een beoordeling dient plaats te vinden.

Een Officier van Justitie mag een plaats delict opheffen of de beperkingen die deze plaats oplegt inperken op elk gewenst moment. Daarbij dient de afweging van de waarheidsvinding en de zuiverheid van het strafrechtelijk onderzoek afgewogen te worden tegen de publieke en private inbreuk die het plaats delict met de van kracht zijnde beperkingen maakt.

Artikel 62 Sv. - Inbeslagname
#

Lid 1

De volgende roerende zaken mogen in beslag genomen worden:

a.     voertuigen voor zover zij al niet in beslag genomen mochten worden krachtens de wet of andere regelingen;

b.     Die zaken waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij betrekking hebben op een strafbaar feit;

c.     Al dan niet elektronische gegevensdragers of de inhoud daarvan, waaronder bedrijfsadministratie;

d.     Die voorwerpen die strafbaar zijn gesteld;

e.     Die voorwerpen die de waarheidsvinding dienen;

Lid 2

Het in beslag nemen van roerende zaken mag enkel om de volgende redenen:

a.     voor onderzoek aan, op, in of ten aanzien van deze voorwerpen;

b.     als pressie middel, wanneer een verdachte nog niet vastgezet is

c.     ter preventie van andere strafbare feiten;

d.     als onderpand voor mogelijke schadeclaims, boetes of andere geldelijke kosten gerelateerd aan een strafbaar feit;

e.     om een strafbaar voorwerp uit de samenleving te verwijderen;

f.     als herstel of compensatie van strafbare gedragingen;

Lid 3

Roerende zaken mogen in beginsel door elke opsporingsambtenaar in beslag genomen worden. Zolang zij een verdachte op heterdaad hebben betrapt op het plegen van een strafbaar feit waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze zaken betrekking hebben op het gepleegde strafbare feit of wanneer zij ten aanzien van een strafbaar feit een plaats delict hebben ingeroepen en de in te nemen zaken zich op dit plaats delict bevinden.

Indien een opsporingsambtenaar buiten deze situaties om de bevoegdheden van dit artikel wil gebruiken dienen zij daarvoor toestemming te vragen aan het Openbaar Ministerie middels een machtiging tot inbeslagname.

Lid 4

In beslag genomen roerende zaken worden zo snel mogelijk maar op zijn laatst 5 dagen na een uiteindelijke uitspraak over het ten laste gelegde waarop het voorwerp betrekking heeft teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.

Artikel 63 Sv. - Inbeslagname voertuigen
#

Lid 1

De inbeslagname van voertuigen kan buiten de standaard gronden voor inbeslagname ook plaatsvinden op het moment dat er spraken is van:

a.     een voertuig dat 125% boven de toegestane snelheid reed;

b.     de eigenaar tot drie maal toe zonder rijbewijs is aangetroffen terwijl hij het voertuig bestuurde;

c.     de eigenaar tot tweemaal toe onder invloed van verdovende middelen heeft gereden;

d.     het voertuig niet voldoet aan de APK keuring dan wel andere veiligheidskeurmerken;

e.     er een WOK status is afgegeven op het voertuig en de eigenaar daarbij toch deelgenomen heeft aan het verkeer;

Lid 2

Een Officier van Justitie is bevoegd een voertuig voor maximaal 14 dagen in beslag te nemen.

Indien de noodzaak dan nog bestaat om een voertuig te houden kan een andere Officier van Justitie besluiten deze inbeslagname met nog eens 7 dagen te verlengen.

Waarna enkel de Hoofd Officier van Justitie nogmaals met 7 dagen de inbeslagname mag verlengen.

Deze bepalingen gelden echter niet wanneer een voertuig in beslag genomen is met het doel om als bewijs te dienen dan wel wanneer een voertuig is ingenomen ten einde een verzoek tot aanhouding te vergemakkelijken door de bewegingsmogelijkheden van de verdachte in te perken. In deze gevallen wordt het voertuig pas teruggegeven wanneer er geen spraken meer is van de noodzaak om het voertuig ten aanzien van deze belangen te houden en/ of er geen verlenging meer is aangevraagd krachtens de eisen van lid 1.

Artikel 64 Sv. - Doorzoeking roerende zaken
#

Lid 1

De volgende handelingen worden aangemerkt als een doorzoeking van roerende zaken:

a.     het door en nakijken van een transportmiddelen;

b.     het kijken en zoeken in een tas, koffer of ander voorwerp voor het transport van goederen;

c.     het bevoelen van verpakkingen van voorwerpen;

d.     het afnemen en onderzoeken van monsters of afdrukken;

e.     het doorzoeken en analyseren van gegevens;

Lid 2

Het doorzoeken van roerende zaken is enkel toegestaan wanneer:

a.     er een vermoede bestaat dat iemand zich schuldig maakt aan het bezitten van een wapen of drugs dan wel de handel daarin.;

b.     het een voorwerp betreft dat in beslag genomen is;

c.     indien iemand zich op de plek van een misdrijf bevindt of zich anderszins verdacht maakt;

d.     Indien een Officier van Justitie daarvoor toestemming geeft;

Lid 3

Behoudens de wettelijke uitzonderingen is een ambtenaar bevoegd om het onderzoek aan roerende zaken of aan de kleding uit te voeren. Behalve wanneer de eigenaar van deze spullen of de kleding een overheidsambt of advocaten ambt bekleed dan wel wanneer het Openbaar Ministerie restricties heeft gesteld aan het onderzoeken van bepaalde zaken. In die gevallen dient eerst toestemming van een Officier van Justitie verkregen te worden.

Lid 4

Een Officier van Justitie mag een ambtenaar van politie machtigen roerende zaken te onderzoeken, zoals beschreven in lid 1. Mits hij hiervoor een gemotiveerde en relevante reden heeft in het kader van strafrechtelijk onderzoek of opsporing. Waarbij dit belang opweegt tegen eventuele medische, maatschappelijke of andere relevante bezwaren.

Artikel 65 Sv. - Test verdovende middelen
#

Lid 1

Onder het afnemen van een test op verdovende middelen wordt verstaan:

a.     het afnemen van een blaastest;

b.     het afnemen van een speekseltest;

c.     het afnemen van bloedonderzoek;

Lid 2

Het afnemen van een blaas of speekseltest is enkel toegestaan, indien:

a.     er een redelijk vermoede ontstaat dat iemand verdovende middelen heeft gebruikt en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan een strafbare gedraging.

Het doen van bloedonderzoek is slechts geoorloofd, indien:

b.     de andere testen benoemd in dit artikel onvoldoende uitsluitsel geven over de vraag of iemand onder invloed is van verdovende middelen en de redelijke verdenkingen blijven bestaan;

c.     indien het voor de straftoemeting noodzakelijk is om vast te stellen welke hoeveelheid verdovende middelen nog aanwezig zijn in het lichaam;

Lid 3

Een blaas of speekseltest mag worden afgenomen door elke opsporingsambtenaar van politie.

Een bloedonderzoek mag enkel worden afgenomen met toestemming van het Openbaar Ministerie die de belangen van opsporing afweegt tegen de inbreuk op de onschendbaarheid van het lichaam  Dit onderzoek wordt uitgevoerd door een gecertificeerde arts in een besloten ruimte waar de juiste middelen aanwezig zijn;

Lid 4

In beginsel zijn alle testen benoemd in dit artikel op vrijwillige basis. Weigering mag enkel op basis van medische redenen die door een arts bevestigd moeten worden. Uiteindelijk beslist het OM of zij de test laten doorgaan. Echter mogen zij hierbij:

a.     een verdachte niet in levensgevaar brengen;

b.     een verdachte niet lichamelijk letsel berokkenen buiten het noodzakelijke letsel dat nodig is voor het uitvoeren van het onderzoek;
c.     een verdachte niet een hevige emotionele gemoedstoestand laten ervaren die niet opweegt tegen het belang van het afnemen van de test;

Artikel 66 Sv. - Verhoor
#

Lid 1

De uitvoerende ambtenaar dan wel ambtenaren zijn bij een verhoor bevoegd tot:

a.     het niet geheel of zelfs verdraaien van de werkelijkheid;

b.     de te verhoren persoon op te halen en ongeacht enige bezigheid, behoudens die welke levensgevaar kunnen veroorzaken, mee te nemen. Mits zij hiervoor een machtiging tot medebrenging dan wel aanhouding hebben;

c.     indien nodig een persoon voor maximaal 1 uur vast te zetten;

d.     indien het openbaar ministerie toestemming geeft, mag een verhoorde persoon voor 1 dag worden vastgehouden en deze bevoegdheid mag steeds opnieuw worden verleend tot een maximum van 3 dagen;

Lid 2

Een verhoor vindt slechts plaats in die gevallen waarbij sprake is van:

a.     een verdenking van een strafbaar feit;

b.     gegronde reden om te twijfelen aan iemands getuigenverklaring dan wel aangifte;

Lid 3

Een verhoor vindt altijd plaats in het bijzijn van het lid van het openbaar ministerie die de toestemming heeft gegeven dan wel een ander lid van het openbaar ministerie dat als diens waarnemer optreedt.

Indien zo is besloten door het openbaar ministerie kan een opsporingsdienst zelfstandig een verhoor uitvoeren zonder een lid van het openbaar ministerie.

Lid 4

Een te verhoren persoon is voor de wet niet noodzakelijkerwijs verdachte dan wel aangehouden. Enige niet gemeende of ongefundeerde uitlating of handeling die in strijd is met dit artikel is nietig.

Ongeacht het hierboven genoemde heeft een persoon die in verhoor zit het recht op rechtsbijstand als ware hij een aangehouden verdachte;

Tevens heeft een persoon in verhoor het recht om gebruik te maken van de rechten van een aangehouden verdachte als ware hij dit;

Artikel 67 Sv. - Schotrestenonderzoek
#

Lid 1

Een lid van het openbaar ministerie kan bevelen dat een verdachte wordt onderworpen aan een schotrestenonderzoek wanneer:

a.     er een verdenking bestaat dat die persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf waarbij een vuurwapen betrokken is geweest;

In die gevallen waarbij een persoon geen bezwaar heeft tegen het afnemen van de kruitsporen test is tevens de opsporingsambtenaar bevoegd om een schotrestenonderzoek uit te voeren.

Artikel 68 Sv. - Sting operatie
#

Lid 1

Een machtiging tot een Sting operatie verleent de volgende bevoegdheden aan een opsporingsinstantie dan wel de ambtenaren die daar werken:

a.     Het kopen van reeds aangeboden, illegale, waren of diensten;

b.     Het overnemen van reeds te voltrekken overeenkomsten van personen die zich vrijwillig bij de autoriteiten hebben gemeld dan wel van mensen die door de autoriteiten zijn aangehouden;

c.     Het verrichten van andere acties die tot doel hebben criminele feiten zoals drugshandel, criminele organisaties en corruptie te bewijzen. Zonder dat van deze gedragingen kan worden gezegd dat de opsporingsambtenaar deze uitgelokt hebben dan wel extra zwaarwegende misdrijven hebben uitgelogd;

Lid 2

Een machtiging tot een Sting operatie wordt slechts door een Officier van Justitie afgegeven indien er sprake is van:

a.     een verdenking van de verkoop van dan wel handel in illegale goederen of diensten;

b.     een verdenking van de verkoop van dan wel handel in illegaal verkregen goederen;

c.     een verdenking van andersoortige illegale handel, koop, verkoop, ruil of overdracht;

Lid 3

Een machtiging tot het uitvoeren van een sting operatie bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het openbaar ministerie die de machtiging verstrekt;

b.     de datum waarop  de machtiging is uitgevaardigd;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     noodzakelijke details voor de operatie;
e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de operatie;
f.     de middelen die de ambtenaren in mogen zetten;

g.     een kortstondige motivering voor de inzet van deze bevoegdheid;

Lid 4

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot het uitvoeren van een sting operatie is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 5 dagen;

Lid 5

Een sting operatie vindt altijd plaats in de aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie die de machtiging heeft uitgevaardigd dan wel een aangewezen plaatsvervangend lid van het Openbaar Ministerie.

Indien het Openbaar Ministerie dit vermeld in de machtiging kan een opsporingsdienst zelfstandig een sting operatie uitvoeren zonder aanwezigheid van een lid van het Openbaar Ministerie.

Artikel 69 Sv. - Machtiging tot binnentreding
#

Lid 1

Een machtiging tot binnentreding verleend een ambtenaar de volgende bevoegdheden:

a.     het betreden of binnengaan van een locatie dan wel ruimte;

b.     het openmaken dan wel breken van deuren, luiken, panelen of het open maken dan wel verplaatsen van andere obstakels die de toegang tot die locatie of ruimte beletten;

c.     het rondkijken op de locatie dan wel in de ruimtes op die locatie;

d.     het in beslag nemen van voorwerpen die door de wet als strafbaar worden aangemerkt;

Lid 2

het Openbaar Ministerie verleend slechts een machtiging tot binnentreding indien er:

a.     een redelijke verdenking bestaat dat er op de te onderzoeken plek zaken liggen die in beslag genomen mogen worden conform artikel 62 Sv juncto 63 Sv;

b.     een vermoede dat er op een bepaalde plek een voortvluchtige, gezochte persoon of een verdachte zich verbergt of verborgen wordt gehouden;

Bij de afweging voor het toekennen van deze machtiging dient de impact van het schenden van de privacy, naast andere relevante belangen afgewogen te worden tegen de stelligheid van de verdenking en het nut van de doorzoeking. Dit geldt in het bijzonder bij het doorzoeken van woningen.

Lid 3

Een machtiging tot binnentreding mag worden uitgevoerd door elke opsporingsambtenaar al dan niet in aanwezigheid van een lid van het Openbaar Ministerie.

Lid 4

Het lid van het Openbaar Ministerie dan wel de hoogste ambtenaar van politie die aanwezig is bij de binnentreding is verplicht voor, tijdens of na de binnentreding de belanghebbende in kennis te stellen van de binnentreding. Als belanghebbende worden aangemerkt:

a.     de eigenaar van de te doorzoeken plek;

b.     diens vertegenwoordiger;

c.     relevante derde met een privacy belang;

Wanneer daarom verzocht wordt dient de inhoud van de machtiging te worden getoond, voorgelezen en/of doorgestuurd te worden.

Lid 5

Een machtiging tot binnentreding bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het Openbaar Ministerie die de machtiging toekent;
b.     de datum waarop de machtiging is afgegeven;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     de locatie of locaties waarop de machtiging tot binnentreding betrekking heeft;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de feitelijke doorzoeking;

f.     een motivering waarom wordt binnengetreden en met welk doel;

Lid 6

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot binnentreding is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 5 dagen;

Lid 7

Indien er spraken is van een noodsituatie worden de bevoegdheden van een machtiging tot binnentreding automatisch toegekend aan die ambtenaren die op deze noodsituatie reageren.

Artikel 70 Sv. - Machtiging doorzoeking
#

Lid 1

Een machtiging tot doorzoeking verleend een ambtenaar de volgende bevoegdheden:

a.     het binnentreden van de bedoelde plek;

b.     het openen en doorzoeken van al dan niet verborgen ruimte, holtes en voorwerpen, welke voor zover nodig en redelijk opengebroken mogen worden;

c.     het afzijdig stellen van de personen aanwezig op de plek die onderzocht wordt;

d.     het meenemen van voorwerpen waarop de machtiging betrekking heeft;

Lid 2

Het Openbaar Ministerie verleend slechts een machtiging tot doorzoeking indien er:

a.     een redelijke verdenking bestaat dat er op de te onderzoeken plek zaken liggen die in beslag genomen mogen worden conform artikel 62 Sv juncto 63 Sv.;

b.     een vermoede dat er op een bepaalde plek een voortvluchtige, gezochte persoon of een verdachte zich verbergt of verborgen wordt gehouden;

Bij de afweging voor het toekennen van deze machtiging dient de impact van het schenden van de privacy, naast andere relevante belangen afgewogen te worden tegen de stelligheid van de verdenking en het nut van de doorzoeking. Dit geldt in het bijzonder bij het doorzoeken van woningen.

Lid 3

Een doorzoeking vindt altijd plaats in de aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie die het bevel heeft uitgevaardigd dan wel een aangewezen plaatsvervangend lid van het openbaar ministerie.

Indien het Openbaar Ministerie dit vermeld in de machtiging kan een opsporingsdienst zelfstandig een machtiging uitvoeren zonder aanwezigheid van een lid van het Openbaar Ministerie.

Lid 4

Het lid van het Openbaar Ministerie dan wel de hoogste ambtenaar van politie die aanwezig is bij de doorzoeking is verplicht voor, tijdens of na een doorzoeking de belanghebbende in kennis te stellen van de doorzoeking. Als belanghebbende worden aangemerkt:

a.     de eigenaar van de te doorzoeken plek;

b.     diens vertegenwoordiger;

c.     relevante derde met een privacy belang;

Wanneer daarom verzocht wordt dient de inhoud van de machtiging te worden getoond, voorgelezen of doorgestuurd te worden.

Lid 5

Een machtiging tot huiszoeking bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het openbaar ministerie die de machtiging toekent;

b.     de datum waarop de machtiging is afgegeven;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     de locatie of locaties waarop de machtiging tot doorzoeking betrekking op heeft;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de feitelijke doorzoeking;

f.     een motivering waarom de locatie wordt doorzicht en met welk doel;

Lid 6

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot doorzoeking is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 5 dagen;

Artikel 71 Sv. - Machtiging tot observatie
#

Lid 1

Met een machtiging tot observatie is een opsporingsambtenaar bevoegd tot:

a.     het observeren en achterna gaan van een voertuig of persoon;

b.     het posten bij in- en uitgangen, bedrijven dan wel bij de woning van de geobserveerde;

c.     het inzetten van elektronica om gesprekken van de geobserveerde en derde af te luisteren;

d.     het plaatsen van camera's in de woning of andere belangrijke plekken van de geobserveerde;

Lid 2

Een machtiging tot observatie mag enkel worden verleend door een Officier van Justitie. Dit gebeurt slechts in die gevallen waarbij sprake is van:

a.     een persoon zich vreemd of verdacht gedraagt;

b.     een persoon wordt verdacht van betrokkenheid of verwaandheid aan een misdrijf;

c.     een persoon is of wordt mogelijk een doelwit van een misdrijf;

Bij het uitvaardigen van een machtiging tot observatie dient het openbaar ministerie zo veel mogelijk rekening te houden met de privacy van de geobserveerde en mogelijke derde.

Lid 3

Indien opsporingsambtenaren een verdacht persoon aantreffen en zij zien genoeg grond om die persoon voor langere tijd te observeren. Zijn zij zonder toestemming van het openbaar ministerie bevoegd om voor redelijke tijd een observatie op te zetten met gebruik van de bevoegdheden in lid 3 onder a en b.

Buiten bovengenoemd geval om dient zij toestemming te hebben van een Officier van Justitie.

Lid 4

Een machtiging tot observatie voldoet aan de volgende vormvereisten:

a.     de naam van en functie van het lid van het openbaar ministerie dat het bevel uitvaardigt;

b.     de datum waarop het bevel is uitgevaardigd;

c.     de geldigheidsdatum van het bevel;

d.     de persoon of de locatie die onder observatie gesteld wordt;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de observatie;

f.     de middelen die de ambtenaren in mogen zetten;

g.     een korte motivering en de reden waarom geobserveerd wordt;

Lid 5

Een opsporingsambtenaar is verplicht de persoon op wie observatie betrekking heeft dan wel een derde relevante partij in kennis te stellen van de observatie voor zover dat wenselijk en mogelijk is.

Lid 6

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot observatie is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 5 dagen;

Artikel 72 Sv. - Machtiging tot aanhouding
#

Lid 1

Middels een machtiging tot aanhouding zijn opsporingsambtenaren bevoegd tot:

a.     het ontnemen van de vrijheid van een te arresteren individu of groep;

b.     het inperken van de bewegingsmogelijkheden van een individu voor of tijdens transport indien daar reden voor is;

c.     het inzetten van aanhoudingsgeweld of middelen;

d.     het inzetten van de bevoegdheden van een binnentreding indien een te arresteren individu of groep zich op een plek bevindt die niet voor het publiek toegankelijk is, voor zover de veiligheid en de gezondheid van derde of de arrestant dit redelijkerwijs niet zouden moeten beletten;

Lid 2

Een machtiging tot aanhouding wordt enkel verleend:

a.     indien er voldoende bewijs is om een verdachte te veroordelen voor een strafbaar feit;

b.     indien een verzoek tot medebrenging geen resultaat heeft gehad;

c.     indien een transport middel of ander kenmerkend attribuut van een persoon meermaals is aangetroffen op een plaats delict en er geen redelijke verklaring bestaat waarom deze daar zou kunnen belanden;

Lid 3

In beginsel is een opsporingsambtenaar niet bevoegd tot het zelfstandig aanhouden van een verdachte. Ook al heeft hij genoeg bewijs tegen deze verdachte. Hij dient daarvoor een machtiging tot aanhouding aan te vragen bij het Openbaar Ministerie.

Dit geldt niet wanneer een opsporingsambtenaar op basis van een betrapping op heterdaad een verdachte aanhoud dan wel op basis van een heterdaad gezocht heeft naar een verdachte zonder noemenswaardige onderbrekingen.

Lid 4

Een machtiging tot aanhouding bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het openbaar ministerie die de machtiging toekent;
b.     de datum waarop de machtiging is afgegeven;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     de locatie of locaties waarop de machtiging tot aanhouding betrekking op heeft;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die belast wordt met de feitelijke doorzoeking;

f.     de feiten waarvoor verdachte wordt aangehouden;

Lid 5

Een machtiging tot aanhouding heeft een tijdelijke duur. Deze duur is afhankelijk van de resterende strafvervolgingstermijn voor de delicten waar de aanhouding voor plaatsvindt. 

Artikel 73 Sv. - Machtiging tot preventief fouilleren
#

Lid 1

Middels een machtiging tot preventieve fouillering krijgt een opsporingsdienst dan wel een ambtenaar daarvan de bevoegdheid om:

a.     gebruik te maken van de rechten van de fouilleringsbevoegdheid op een daarvoor aangewezen plaats zonder dat daarbij spraken moet zijn van enige aanleiding om iemand te fouilleren;

b.     het steekproefsgewijs of volledig fouilleren van het langskomend of doorkomend verkeer van mensen of transportmiddelen dan wel beide;

Lid 2

het Openbaar Ministerie verleend slechts een machtiging tot preventief fouilleren indien er:

a.     concrete aanwijzingen zijn dat er op grote schaal drugs, wapens of andere illegale voorwerpen door een bepaald gebied worden vervoerd, dan wel dat eventuele bezitters van deze voorwerpen vaak door een bepaald gebied trekken met deze voorwerpen;

b.     een opsporingsinstantie belast is met de beveiliging van een gebouw of locatie;

c.     op een belangrijke economische of publieke functie de veiligheid van de aanwezige dit vereist; 

d.     ter behoeve van gecoördineerde (verkeer)controles; 

Bij de afweging voor het toekennen van deze machtiging dient de impact van het schenden van de privacy, en/of de integriteit van het lichaam naast andere relevante belangen afgewogen te worden tegen het publieke belang en het nut van de doorzoeking. Bij wet is het hoe dan ook niet toegestaan om de bevoegdheid toe te kennen waarmee iemand door een arts onderzocht moet worden.

Lid 3

Een preventieve fouillering vindt altijd plaats in de aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie die het bevel heeft uitgevaardigd dan wel een aangewezen plaatsvervangend lid van het openbaar ministerie.

Indien het Openbaar Ministerie dit vermeld in de machtiging preventieve fouillering kan een opsporingsdienst zelfstandig een preventieve fouillering uitvoeren zonder aanwezigheid van een lid van het Openbaar Ministerie. Dit geldt van rechtswege voor alle plekken die vanwege hun economische of publieke functie worden aangemerkt als plekken waar preventief gefouilleerd mag worden.

Lid 4

Een machtiging tot preventieve fouillering bevat:

a.     de naam van en functie van het lid van het Openbaar Ministerie die de machtiging toekent;

b.     de datum waarop de machtiging is afgegeven;

c.     de geldigheidsdatum van de machtiging;

d.     de locatie of locaties waarop de machtiging tot preventieve fouillering betrekking heeft;

e.     de instantie en indien gewenst de afdeling van die instantie die bevoegd zijn tot het preventief fouilleren op de aangewezen locatie;

f.     welke fouilleringsrechten ingezet mogen worden;

g.     een motivering waarom er preventief gefouilleerd wordt en en met welk doel;

Lid 5

De bevoegdheid die verleend wordt met een machtiging tot binnentreding is slechts van tijdelijke duur en mag niet langer zijn dan 14 dagen;

Welke door de Hoofd Officier van Justitie nog eens met tweemaal 7 dagen mag worden verlengd.

Deze vervaltermijn geldt niet voor locaties die vanwege hun economische of publieke functie worden aangemerkt als plekken voor preventieve fouillering, zolang zij hun originele functie behouden.

Artikel 74 Sv. - Verzoek tot medebrenging
#

Lid 1

Een verzoek tot medebrenging heeft tot doel het meenemen van individuen naar een locatie die daarvoor wordt aangewezen om een lid van een opsporingsinstantie, het Openbaar Ministerie of de rechterlijke macht instaat te stellen, een gesprek te voeren met dat individu. Daarbij verkrijgt de uitvoerende opsporingsambtenaar geen bevoegdheden krachtens dit verzoek. Behoudens die welke blijken uit dit artikel.

Lid 2

Een mee te brengen individu mag niet worden gedwongen of in zijn vrijheid worden beperkt behoudens een fouillering voor een mee te brengen persoon op de locatie aankomt en/of in een transportmiddel wordt geplaatst.

Artikel 75 Sv. - Algemene nummerplaatregistratie
#

Lid 1

Dit artikel verleent een opsporingsambtenaar de bevoegdheid om:
a.     kentekenplaten van voertuigen te registreren;

b.     deze kentekens te laten signaleren door observatie-elektronica bij wegen;

c.     zich te laten signaleren door deze observatie-elektronica;

d.     bevoegdheden in te zetten naar aanleiding van deze signalering;

Lid 2

Een algemene nummerplaatregistratie is slechts toegestaan:

a.      voor 24 uur nadat het voertuig betrokken is geweest bij een misdrijf en het feit nog niet strafrechtelijk is afgedaan;

b.     voor de duur van een machtiging tot aanhouding indien het voertuig betrokken is bij een misdrijf dan wel eigendom is van een van de verdachten van dat misdrijf;

c.     ter handhaving van artikel 76 Sv.;

d.     wanneer het voertuig als gestolen is opgegeven;

e.     wanneer het voertuig van belang is voor langduriger strafrechtelijk onderzoek;

Lid 3

Slechts in het geval van lid 2 b en e dient vooraf toestemming verkregen te worden door het Openbaar Ministerie alvorens een algemene nummerplaatregistratie mag plaatsvinden.

Lid 4

het Openbaar Ministerie mag te allen tijde beslissen dat een algemene nummerplaatregistratie niet langer een rechtmatige inbreuk maakt op de rechten van een geregistreerd persoon en de registratie opheffen.

Artikel 76 Sv. - Wachten op keuring registratie
#

Lid 1

Een registratie tot het wachten op een keuring heeft tot gevolg:

a.     dat het voertuig waarop het betrekking heeft zich niet langer op de openbare weg mag bevinden;

b.     indien nodig en op kosten van de bestuurder dan wel de eigenaar versleept mag worden;

c.     het voertuig conform artikel 75 Sv. mag worden opgenomen in het politiesysteem ten einde onwettige verplaatsing van het voertuig te kunnen waarnemen;

Lid 2

Een opsporingsambtenaar is bevoegd de bevoegdheden uit lid 1 toe te passen indien:

a.     het voertuig waartegen deze middelen worden ingezet niet voldoet aan de eisen van een APK, ongeacht een al dan niet geldige APK-status.

Lid 3

Een voertuig dat geregistreerd staat als wachtende op een keuring mag zich op de openbare weg begeven, mits:
a.     het doel van het transport een herkeuring van het voertuig betreft;

b.     de bestuurder van het voertuig de korts mogelijke route pakt naar de plaats waar het voertuig gekeurd zal worden;

Politiewet 2024

#

                    

Hoofdstuk 1 Algemeen

#

                

Artikel 1 PW
#

Lid 1

Van ambtenaren wordt verwacht dat zij het uniform dragen zoals in de kledingvoorschriften staat beschreven met juiste rangbeschrijving, op daartoe vergeven uitzonderingen van manier van dragen na.

Artikel 2 PW
#

Lid 1

Ambtenaren van politie in de zin van deze wet zijn:

a.     de ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak; 

b.     de ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie dan wel de recherche.

Artikel 3 PW
#

Lid 1

Van de ambtenaar van politie wordt verwacht dat hij/zij zijn specialistische diensten evenwijdig inzette naan de diensten basis politiezorg. Team Toezicht en Kust wordt meegeteld als basis politiezorg.

Hoofdstuk 2 Politietaak

#

            

Artikel 6 PW
#

Lid 1

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde, veiligheid en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Artikel 7 PW
#

Lid 1

De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan gebonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

Lid 2

De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is.

Lid 3

De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen en het onderzoek van de voorwerpen die personen bij zich dragen of met zich mee voeren bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid of die van de ambtenaar zelf of van derden, en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

Lid 4

De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd een te vervoeren of in te sluiten persoon aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor andere kunnen vormen, als mede daartoe de voorwerpen te onderzoeken die betrokkene bij zich draagt of met zich mee voert.

Lid 5

De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

Lid 6

Ambtenaren van politie zijn bevoegd tot het doen van vorderingen voor zover deze vordering verband houdt met de politietaak, niet zeer onredelijk is en niet botst met de rechtsnormen binnen Nederbeek.

Artikel 8 PW
#

Lid 1

Een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak.

Artikel 9 PW
#

Lid 1

In de Ambtsinstructie 2024 worden regels gesteld ter uitvoering van artikel 7 politiewet 2024.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen met het oog op hun insluiting kunnen worden onderworpen, voor zover dit noodzakelijk is in het belang van hun veiligheid of de veiligheid van anderen.

Artikel 11 PW
#

Lid 1

Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, staat zij onder gezag van de burgemeester.

Lid 2

De burgemeester kan de betrokken ambtenaren van politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken.

Artikel 12 PW
#

Lid 1

Indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel taken verricht ten dienste van justitie, staat zij, tenzij in enige wet anders is bepaald, onder gezag van de officier van justitie.

Lid 2

De officier van justitie kan de betrokken ambtenaren van politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in het eerste lid bedoelde taak.

Artikel 13 PW
#

Lid 1

Indien de ambtenaar met voeren van OGS rijd is overschrijding van maximumsnelheid geoorloofd, tot hoogte van 40 km/h tenzij spoedeisende hulp vraagt tot overschrijding van deze richtlijn.

Lid 2

Spoedeisende diensten met voering van OGS houden zich onderling aan de volgens de Wegen Verkeerswet voorgelegde voorrangsregels.

Lid 3

SIV voertuigen mogen als nodig voor het uitvoeren van de taakstelling maximaal begrenzen tot 40 km/h zonder OGS voering.

Lid 4

Bij afwijking van de brancherichtlijn meld de ambtenaar van politie dit voor tijdens of direct na inzet van deze afwijking mondeling aan meldkamer of gezag.

Lid 5

Het inzetten van de T.O.N. methode is slechts geoorloofd, een ambtenaar van politie mag dit tot maximaal 20 meter met uitzondering van SIV voertuigen, als benodigd is voor hun taakuitvoering.   (T.O.N.= Tegengesteld Opvallend Naderen)

Artikel 14 PW
#

Lid 1

Gebruik van vrijstellingen is slechts geoorloofd, als wordt gebruikt voor het uitvoeren van de politietaak, met en zonder voering van OGS. Mits verkeersveiligheid niet in gevaar komt, het gebruik noodzakelijk isen de voorschriften van brancherichtlijn worden nageleefd.

Artikel 15 PW
#

Lid 1

Bij snelheidsmetingen gelden de volgende correcties:

a.     Metingen verricht door de Landelijke Eenheid Politie Nederbeek worden niet gecorrigeerd;

b.     Metingen van de Dienst Noodhulp Politie worden wel gecorrigeerd en wel met een marge van 5 kilometer/uur.

In het geval van snelheidsovertredingen wordt gerekend met de totaalmeting, dus na de correctie.

Artikel 16 PW
#

Lid 1

In het kader van de openbare orde en veiligheid is de politie bevoegd om vervoersmiddelen die beschadigd zijn, onbeheerd achtergelaten zijn, belemmerend zijn of een potentieel gevaar vormen op de openbare weg:

a.     Weg te slepen naar het hoofdbureau of een ander plek niet zijnde de impound;

b.     Het forceren van het voertuig mits dit vereist is voor het transporten en/of wegslepen

Artikel 17 PW
#

Lid 1

De kosten die gemaakt worden in de uitvoering van artikel 16 mogen ten koste komen van de eigenaar dan wel bestuurder van het transportmiddel. 

Lid 2

De kosten die gemaakt worden in de uitvoering van artikel 62 Sv. dan wel 63 Sv. mogen ten koste komen van de eigenaar dan wel bestuurder van het ransportmiddel.

Hoofdstuk 3 Klachtenbehandeling en verlof

#

            

Artikel 71 PW
#

Lid 1

a.     Een klacht over een gedraging van een ambtenaar van politie wordt ingediend via overheidsklachten.

b.     Een klacht over een gedraging van een collega wordt ingediend via het centraal meldingsformulier en als zwaarder via overheidsklachten.

Lid 2

Klachten worden afgehandeld binnen 1 tot 2 weken, indien reguliere klachten. Klachten met groter dossier zullen binnen maximaal 4 weken afgehandeld worden

Artikel 72 PW
#

Lid 1

Bij afwezigheid die er voorzorgd dat de ambtenaar van politie niet aan wekelijkse beschikbaarheid kan voldoen, moet dit gemeld worden via het centraal meldingsformulier.

Hoofdstuk 4 Politieacademie

#

            

Artikel 73 PW
#

Lid 1

De leiding van de Politieacademie zijn belast met de leiding en het beheer van de opleidingen. Zij worden ondersteund door een Inspecteur. De leiding leggen verantwoording af naar deze Inspecteurs.

Artikel 74 PW
#

Lid 1

De Politieacademie heeft tot taak: Het ontwikkelen en verzorgen van politieonderwijs, bestaande uit het ontwikkelen en het verzorgen van:

1°.     politieopleidingen;

2°.     overige opleidingen, anders dan bedoeld onder 1°;

3°.     verzorgen van her examinering in 1° en 2° benoemde opleidingen.

Hoofdstuk 5 Ondersteuningseenheden

#

            

Artikel 80 PW
#

Lid 1

Het Team Parate Eenheid valt onder leiding van de groepscommandant met eindverantwoording naar een Inspecteur met takenpakket Ondersteuningseenheden.

Artikel 81`PW
#

Lid 1

Inzet van Team Parate Eenheid zijn vastgesteld in het politiehandboek.

Artikel 82 PW
#

Lid 1

De Dienst Speciale Interventies valt onder leiding van de Romeo's en ondersteunende groepscommandanten met eindverantwoording naar een Inspecteur met takenpakket Ondersteuningseenheden.

Artikel 83 PW
#

Lid 1

Inzet van Dienst Speciale Interventies zijn vastgesteld in het politiehandboek.

Artikel 84 PW
#

Lid 1

De Recherche valt onder leiding van de recherche leiding met eindverantwoording naar een Inspecteur met takenpakket Ondersteuningseenheden.

Artikel 85 PW
#

Lid 1

Inzet van de Recherche is wanneer benodigd voor uitvoeren van eigen taken of onderzoek van VOA, PD onderzoek of zaak onderzoeken. Bij de laatste is dat in overleg met de Officier van Justitie.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

#

            

Artikel 100 PW
#

Lid 1

Dit besluit treedt in werking met ingang van 01-01-2024.

Artikel 101 PW
#

Lid 1

Dit besluit wordt aangehaald als: Politiewet, met vermelding van het jaartal van ingang.

Ambtsinstructie 2024

#

                    

AmbI - Hoofdstuk 1 Algemeen

#

            

Artikel 1 AmbI
#

Lid 1

In dit besluit wordt verstaan onder ambtenaar:

a.      de ambtenaar van politie, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak; 

b.      de ambtenaar van politie, die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie dan wel de recherche;

c.      degene die is benoemd tot aspirant voor de duur dat hij/zij in de praktijk aan het werk is.

Lid 2

In dit besluit wordt verstaan onder meerdere:

a.      de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie, aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;

b.      indien op grond van het bepaalde onder a, geen meerdere kan worden aangewezen de ambtenaar van politie die een hogere rang heeft of bij gelijkheid in rang, degene met de meeste ervaring, deze belast kan worden met takenpakket van de meerdere.

Lid 3

in dit besluit wordt verstaan onder:

a.      bevoegd gezag: het gezag

b.      geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op persoon of zaken; 

c.      geweldsmiddel: de ter beschikking gestelde bewapening ten behoeve van de uitvoering vande politietaken;

d.      automatisch vuur: het lossen van meerdere schoten als gevolg van het eenmalig overhalen van de trekker;

e.     de arts: de dienstdoend adviserend arts;

f.      het gebruik van een vuurwapen: het richten, het gericht houden of schieten met een vuurwapen;

g.      surveillancehond: hond bedoeld om te worden ingezet bij de surveillancedienst, het optreden van de mobiele eenheid of het   bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten;

h.      cel: een afsluitbare ruimte geschikt voor het dag en nachtverblijf van een persoon;

i.      dienstpistool: het rechtens aan de ambtenaar toegekende pistool.

Lid 4

In dit besluit wordt onder ingeslotene verstaan degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd.  Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het politiebureau is ondergebracht.

Artikel 2 AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar legitimeert zich met legitimatiebewijs dat aan hem/haar is verstrekt:

a.     bij optreden in burgerkleding ongevraagd, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken;

b.     bij optreden in uniform, op verzoek daartoe.

Artikel 3 AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar dient ten alle tijden zich aan zijn/haar ambtseed of ambtsbelofte te houden, deze die hij/zij bij indienststelling op gezworen heeft.

Ambi - Hoofdstuk 2 Geweld

#

            

Artikel 4 AmbI
#

Lid 1

Het gebruik van een geweldsmiddel of vrijheidsbeperkend middel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar:

a.     aan wie dat middel rechtens is toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het middel hem is toegekend,

b.     en die in het gebruik van dat middel is geoefend.

Artikel 7 AmbI
#

Lid 1

Het gebruik van een vuurwapen is slechts geoorloofd:

a.     om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze:

  1. een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnde vuurwapen bij zich heeft en dat tegen personen zal gebruiken, of

  2. aanstonds ander levensbedreigend geweld tegen personen zal gebruiken;

b.     om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf:

  1.  dat een ernstige aantasting vormt voor de lichamelijke integriteit,

  2.  betrekking heeft op het zich wederrechtelijk bevinden in een woning of daarbij behorende besloten erf  met gebruik van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, of

  3.  dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn;

  4. dat niet valt binnen bovenstaande bepalingen en niet enkel een misdrijf is vermeld onder de hoofdstukken: openbare orde, de goede naam of valsheid, in het wetboek van strafrecht.

c.     om een ernstig gewond dier te doden;

d.     om direct gevaar voor het leven van personen of voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel af te wenden

Lid 2

in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruikgemaakt indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat uitstel van aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.

Artikel 8 AmbI
#

Lid 1

Het gebruik van automatisch vuur mag alleen plaatsvinden door een ambtenaar die behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningsteam of bijstandseenheid dan wel belast is met de bewaking en beveiliging van personen en objecten en is slechts geoorloofd om direct gevaar voor het leven van  personen of voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel af te wenden.

Artikel 9 AmbI
#

Lid 1

Het gebruik van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, mag alleen plaatsvinden onder bevel van de commandant van een bijstandseenheid en is slechts geoorloofd om direct gevaar voor het leven van personen of voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel af te wenden.

Artikel 10 AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar mag slechts een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange-afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, ter hand nemen:

a.     in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is toegestaan of

b.     in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken.

Lid 2

Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zich niet of niet meer voordoet, bergt deambtenaar terstond het vuurwapen op.

Artikel 10a AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.

Lid 2

Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden gegeven, dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.

Artikel 12a AmbI
#

Lid 1

het gebruik van een stroomstootwapen is slechts geoorloofd:
a.     om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen een persoon zal gebruiken of aanstonds ander geweld tegen personen zal gebruiken;

b.     om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken;

c.     ter verdediging tegen of voor het onder controle brengen van agressieve dieren;

d.     om direct gevaar voor het leven van personen of voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel af te wenden.

Artikel 12b AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij een stroomstootwapen tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat een stroomstootwapen gebruikt zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.

Artikel 12c AmbI
#

Lid 1

Het gebruik van de wapenstok is slechts geoorloofd:
a.     om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen een persoon zal gebruiken of aanstonds ander geweld tegen personen zal gebruiken;

b.     om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken;

c.     om een persoon op afstand te houden die een ambtenaar in dienst taakuitoefening belemmert of die geen gehoor geeft aan een bevoegd gegeven bevel of vordering;

d.     ter verspreiding van samenscholingen of volksmenigten die een onmiddellijke bedreiging vormen voor de openbare orde;

e.     om direct gevaar voor het leven van personen of voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel af te wenden.

Artikel 12d AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar of de meerdere onder wiens bevel de ambtenaar optreedt, waarschuwt onmiddellijk voordat hij een wapenstok tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat een wapenstok gebruikt zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

Artikel 14 AmbI
#

Lid 1

Het gebruik van een waterwerper is slechts geoorloofd bij optreden van een mobiele eenheid als bedoeld in opdracht van de meerdere en na verkregen toestemming van het bevoegd gezag.

Artikel 15 AmbI
#

Lid 1

Het inzetten van een surveillancehond als geweldmiddel is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij:

a.     de surveillancedienst, en

b.     het optreden van een mobiele eenheid na toestemming van het bevoegd gezag;

c.     het bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten

Lid 2

Het inzetten van een AOT-hond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij het, na toestemming van het bevoegd gezag, optreden van een aanhoudings- en ondersteuningsteam of een bijstandseenheid.

Artikel 15a AmbI
#

Lid 1

Het inzetten van een surveillancehond of AOT-hond als geweldsmiddel is slechts geoorloofd:

a.     om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnde vuurwapen bij zich heeft en dat tegen personen zal gebruiken dan wel aanstonds ander geweld tegen personen zal gebruiken;

b.     om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is  veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf;

c.     om direct gevaar voor het leven van personen of voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel af te wenden.

Artikel 15b AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij een surveillancehond of een AOT-hond tegen een persoon zal inzetten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat een surveillancehond onderscheidenlijk een AOT-hond ingezet zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

AmbI - Hoofdstuk 3 Fouilleringen

#

            

Artikel 18 AmbI
#

Lid 1

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 19 AmbI
#

Lid 1

Fouillering op preventie van of in omgeving van een misdaad is slechts geoorloofd:

a.     Als de dienstdoende officier van justitie of hoofdofficier van justitie een gebied aanwijst als veiligheidsrisicogebied onder andere bij hoog aantal wapenincidenten en of ernstige mate van (vuur) wapengebruik, en

b.     Enkel op last van deze officier mag er preventief gefouilleerd worden in een veiligheidsrisicogebied;

c.     Bij preventieve fouilleringen mag men controle uitvoeren aan verpakking van goederen, vervoermiddelen en kleding van personen, of

d.     Bij veiligstellen van gegijzelde met toestemming van persoon, of

e.     In Artikel 19a beschreven situaties.

Artikel 19a AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar van Politie, belast met de opsporing van strafbare feiten, kan bij ernstige delicten hij die te maken heeft met of in de buurt is van het strafbaarheid, waar in het artikel fouillering toestaat, fouilleren op  basis van deze wet zoals onder andere de wet wapens en munitie of wet ID, zoals vastgesteld in artikel 21 Ambtsinstructie. 

Lid 2

Tevens is de ambtenaar van Politie, die belast is met de opsporing van strafbare feiten, bij verdenking van het bezitten van zaken die het feit mogelijk maken of die door het feit verkregen zijn, hij die te maken heeft met of in de buurt is van het strafbare feit te fouilleren.

Lid 3

Buiten de gevallen benoemd in lid 1 en 2 van dit artikel is een opsporingsambtenaar bevoegd om een fouillering uit te voeren op het moment dat zij daarvoor toestemming hebben gekregen van een lid van het Openbaar Ministerie. Deze toestemming wordt verleend in de vorm van een machtiging tot preventief fouilleren.

Artikel 20 AmbI
#

Lid 1

Het onderzoek aan de kleding, bedoeld in artikel 7 lid 3 van de politiewet 2024, en het onderzoek aan de kleding van een te vervoeren persoon, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zo veel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

Lid 2

Als de ambtenaar bij het onderzoek, voorwerpen aantreft die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen, neemt hij die voorwerpen in bewaring.

Artikel 20a AmbI
#

Lid 1

De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht.

Lid 2

De officier van justitie kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze in zijn lichaam wordt onderzocht. Onder onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek, echografie en het inwendig manueel onderzoek van de openingen en holten van het lichaam. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts. Het onderzoek wordt niet ten uitvoer gelegd indien zulks om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

Lid 3

De in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoeken worden op een besloten plaats en voor zover mogelijk door personen van hetzelfde geslacht als de verdachte verricht.

Lid 4

De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd den aangehoudene tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijne kleding te onderzoeken.

Artikel 21a AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar van Politie, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.

Lid 2

De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, oefenen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken te voorkomen.

AmbI - Hoofdstuk 4 Vrijheidsbeperkende middelen

#

            

Artikel 22 AmbI
#

Lid 1

Ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing kan de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, handboeien aanleggen indien op grond van de feiten of omstandigheden redelijkerwijs gevaar valt te vrezen voor:

a.     ontvluchting, of 

b.     de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

Artikel 22a AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar kan bij een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer  of een verplaatsing mondafscherming aanbrengen.

Lid 2

De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts getroffen indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op de veiligheid van de ambtenaar of van derden.

Artikel 23 AmbI
#

Lid 1

Ten behoeve van een aanhouding en het vervoer kan de ambtenaar die behoort tot een aanhoudings-en ondersteuningsteam of tot een bijstandseenheid een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofden aan wie op grond van artikel 22 handboeien zijn aangelegd, blinddoeken indien op grond van de feiten of omstandigheden redelijkerwijs gevaar valt te vrezen voor:

a.     ontvluchting, of

b.     de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

Lid 2

Indien op grond van de feiten of omstandigheden van het geval redelijkerwijs gevaar voor ontvluchting van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd of gevaar voor de veiligheid van de persoon, van de ambtenaar of van derden, valt te vrezen, kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, een andere dan de aan te houden persoon handboeien aanleggen.

AmbI - Hoofdstuk 5 Hulpverlening

#

            

Artikel 24 AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar draagt er zorg voor personen met lichte verwondingen, ziekteverschijnselen en personen ten aanzien van wie twijfel op dit punt bestaat, de weg te wijzen naar de huisarts of naar een E.H.B.O.-afdeling van een ziekenhuis. 

Lid 2

De ambtenaar draagt er zorg voor dat personen met ernstige verwondingen en bewustelozen, waar onder mede worden verstaan personen die niet wekbaar of niet aanspreekbaar zijn, per ambulance naar het ziekenhuis worden vervoerd. De gegevens omtrent aard en omstandigheden van de gebeurtenis die tot de ziektetoestand heeft geleid, alsmede de op de persoon aangetroffen medische gegevens en geneesmiddelen, worden door hem ter beschikking van de medische hulpverleners gesteld.

Artikel 25 AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat personen die door drankgebruik, dan wel door andere oorzaken, onmiddellijk gevaarlijk zijn, hetzij voor de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, hetzij voor zichzelf, op de meest geschikte wijze van openbare plaatsen worden verwijderd. Onder openbare plaatsen worden mede verstaan vervoermiddelen die zich bevinden op deze plaatsen, een en ander voor zover niet gebezigd als woning.

Lid 2

De ambtenaar draagt personen als bedoeld in het eerste lid over aan het eigen zorgkader, voor zover de omstandigheden zulks toelaten. Zij kunnen bij het ontbreken van opvangmogelijkheden elders, bij wijze van hulpverlening, op het politiebureau worden ondergebracht, indien dit nodig is voor hun bescherming en dit niet tegen hun wil geschiedt.

Lid 3

Voor personen als bedoeld in het eerste lid, van wie bekend is dat zij geestelijk gestoord zijn of die geestelijk gestoord lijken, waarschuwt de ambtenaar de arts, nadat zo mogelijk getracht is contact te zoeken met de eigen huisarts.

AmbI - Hoofdstuk 6 Maatregelen omtrent insluiting

#

            

Artikel 26 AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar dient ten tijden van insluiting, ten tijden van ondervraging, of andere strafvorderingen duidelijk vermelden dat zij ingelicht worden omtrent rechten die tijdens het proces van toepassing zijn. 

Artikel 32 AmbI
#

Lid 1

In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnenzijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt.

Lid 2

In het geval de ingeslotene te kennen geeft geen medische hulp te willen hebben, terwijl er aanwijzingen zijn dat medische bijstand gewenst is, waarschuwt de ambtenaar de arts en deelt hij deze de houding van de ingeslotene mee.

Artikel 33 AmbI
#

Lid 1

De ambtenaar mag aan de arts bij het onderzoek en de behandeling geen beperkingen opleggen. Hij volgt de aanwijzingen op die de arts over de zorg voor de gezondheid van de ingeslotene geeft, voor zover de wet niet anders bepaald.

AmbI - Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
#

            

Artikel 40 AmbI
#

Lid 1

Dit besluit treedt in werking met ingang van 01-01-2024

Artikel 41 AmbI
#

Lid 1

Dit besluit wordt aangehaald als: Amtsinstructie 2024 voor de politie en andere opsporingsambtenaren.

Nederbeeks civielrecht

#

        

Burgerlijk Wetboek - Personenrecht

#

            

Persoonlijkheid

#

        

Artikel 1 BWP - Persoonlijkheid I
#

Lid 1

Allen die zich in Nederbeek bevinden, worden aangemerkt als persoon en hebben daarmee de rechten en plichten die de wet aan personen verbindt.

Artikel 2 BWP - Persoonlijkheid II
#

Lid 1

Alle organisaties binnen Nederbeek worden aangemerkt als rechtspersoonlijkheden en hebben daarmee dezelfde rechten en plichten als een persoon. 

Lid 2

Organisaties die via de wet belast zijn met overheidsgezag zijn rechtspersonen.
De wet kan aan deze organisaties andere rechten en plichten verbinden dan aan reguliere rechtspersonen.

Rechtshandeling

#

        

Artikel 10 BWP - Rechtshandeling
#

Lid 1

Personen zijn bevoegd om handelingen te verrichten die tot doel hebben een gevolg teweeg te brengen.

Artikel 11 BWP - Nietigheid van rechtshandeling
#

Lid 1

Een rechtshandeling is nietig wanneer:
a.     de handeling een gevolg tot doel heeft dat in strijd is met de wet of de openbare orde;
b.     de rechtshandeling niet conform de wettelijke vereisten is verricht;

Lid 2

Nietige rechtshandelingen zijn onwettig en kunnen daarom geen gevolg hebben of een persoon ergens toe dwingen.

Artikel 12 BWP - Vernietigbare rechtshandelingen
#

Lid 1

Een rechtshandeling is vernietigbaar wanneer de rechtshandeling:
a.     het gevolg is van dwang of afpersing;
b.     is ingegeven door verkeerde voorlichting die tot een ander besluit had geleid;
c.     misbruik maakt van omstandigheden waarin een persoon zich bevindt;

Lid 2

Een vernietigbare rechtshandeling is in beginsel geldig totdat het daartoe bevoegde gezag heeft besloten dat de rechtshandeling vernietigbaar is en deze als gevolg daarvan vernietigd wordt.

Burgerlijk Wetboek - Goederenrecht

#

        

Bezit

#

        

Artikel 1 BWG - Eigenaar
#

Lid 1

Een persoon is eigenaar van goederen die op wettige wijze in diens bezit gekomen zijn.

Lid 2

Goederen mogen in beginsel niet, voor al dan niet onbepaalde tijd, worden ontnomen van de rechtmatige eigenaar, behoudens die gevallen waarin de wet anders bepaalt.

Lid 3

In die gevallen waarbij een goed twee of meer eigenaren heeft, zijn zij alle gelijkwaardig eigenaar van dat bezit. Daardoor mogen zij niet over hun eigendom beschikken zonder de toestemming van alle andere eigenaren.

Lid 4

Als uitzondering op lid 3 gelden de situaties:
a.     waarin de wet anders bepaalt;
b.     de eigenaren anders overeengekomen zijn;

Artikel 2 BWG - Goederen
#

Lid 1

Als goederen worden aangemerkt:
a.     alle zaken;
b.     alle vermogensrechten;

Artikel 3 BWG - Zaken
#

Lid 1

Als zaak wordt aangemerkt elk ding dat een fysieke vorm heeft.

Lid 2

Als roerende zaken worden aangemerkt al die zaken die niet onroerend zijn.

Lid 3

Als onroerende zaken worden aangemerkt:
a.     de grond,
b.     de planten in de grond;
c.     de gebouwen en constructies die duurzaam in de grond verankerd zijn, al dan niet door vereniging met andere gebouwen of constructies;

Artikel 4 BWG - Vermogensrechten
#

Lid 1

Als vermogensrechten worden aangemerkt alle rechten die niet fysiek zijn, maar wel een geldelijke waarde vertegenwoordigen.

Lid 2

Onder vermogensrechten worden in elk geval verstaan:
a.     banksaldo's;
b.     tegoeden;
c.     aandelen;

Lid 3

Vermogensrechten kunnen een fysieke vorm aannemen in de vorm van: documenten of biljetten, om overdracht mogelijk te maken dan wel te vergemakkelijken of aan deze overdracht voorwaarden te stellen.

Verkrijging en overdragen van zaken

#

        

Artikel 10 BWG - Verkrijging
#

Lid 1

Buiten overdracht om kan een roerende zaak worden verworven door:
a.     het rechtmatig ontginnen van de zaak;
b.     het rechtmatig produceren dan wel vervaardigen van de zaak;
c.     het vinden van de zaak in de publieke ruimte, die kennelijk geen eigenaar heeft of die redelijkerwijs door de eigenaar achtergelaten lijkt;

Artikel 11 BWG - Overdracht
#

Lid 1

Bezit kan door de rechthebbende worden overgedragen door één of meerdere rechtshandelingen. 

Artikel 12 BWG - Bijbehorende rechten bij overdracht
#

Lid 1

Indien een goed wordt overgedragen, maar er aan dit goed aanverwante goederen, rechten of vorderingen verbonden zijn, worden deze in beginsel mee overgedragen aan de nieuwe eigenaar op het moment dat deze eigenaar wordt van dat goed.

Lid 2

Lid 1 is niet van toepassing:
a.     mits de aard van het goed zich tegen een dergelijke overdracht verzet;
b.     in het geval van vorderingen, mits de originele partijen overdracht van deze vordering middels een overeenkomst hebben verboden;
c.     indien de oude en nieuwe eigenaar anders overeenkomen;

Burgerlijk Wetboek - Verbintenisrecht

#

                

Algemene bepalingen verbintenissenrecht

#

                

Algemene bepalingen over het verbintenisrecht
#

                

Artikel 1 BWV - Speciale overeenkomsten
#

Lid 1

De in deze titel bepaalde artikelen zijn leidend voor elke verbintenis.

Lid 2

Als uitzondering op lid 1 geldt dat de bepalingen over de overeenkomsten beschreven onder "speciale overeenkomsten" leidend zijn voor die overeenkomsten.

Lid 3

In die gevallen waarin het bepaalde in lid 2 niets regelt, maar het bepaalde in lid 1 wel, geldt lid 1 als aanvulling op een speciale overeenkomsten.

Artikel 2 BWV - Ontstaan verbintenissen
#

Lid 1

Een verbintenis ontstaat in de volgende gevallen:
a.     bij het verrichten van één of meer rechtshandelingen die tot doel hebben een verbintenis tot stand te brengen;
b.     waarbij de een ten aanzien van een ander een onrechtmatige daad pleegt;

Artikel 3 BWV - Verbintenis
#

Lid 1

Een verbintenis is een situatie waarbij de een zich verplicht tot het verrichten van een of meerdere handelingen ten aanzien van een ander, waarvoor hij al dan niet een tegenprestatie geleverd krijgt.

Artikel 4 BWV -Vormvereisten
#

Lid 1

Een verbintenis is in beginsel vormvrij en vrij van inhoud, behalve waar de wet deze vrijheid inperkt.

Artikel 5 BWV - Overige vereisten
#

Lid 1

Alle partijen zijn gehouden zich redelijk ten opzichte van elkaar te gedragen zolang de verbintenis voortduurt.

Lid 2

Alle partijen zijn verplicht de uit de verbintenis voortkomende verplichtingen na te komen.

Lid 3

Bij eventuele conflicten dan wel misvattingen worden partijen eerst geacht, al dan niet met juridische bijstand, om onderlinge conflicten of misverstanden zelf op te lossen alvorens gerechtelijke stappen te nemen, zoals beschreven in de wet op de rechtspleging.

Onrechtmatige daad
#

                

Artikel 10 BWV - Onrechtmatige daad
#

Lid 1

Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander daardoor lijdt, te herstellen.

Lid 2

Als onrechtmatige daad worden gezien die handelingen of het nalaten van handelingen die in strijd zijn met:

a.     het recht
b.     de wet;
c.     algehele fatsoensnormen;

Lid 3

Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien deze te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die voor zijn rekening komt, krachtens:
a.     de wet;
b.     het recht;

Artikel 11 BWV -Ondergeschikte
#

Lid 1

De schade die ontstaat door hij die een taak uitvoert als ondergeschikte van een ander, komt voor rekening van die ander.

Lid 2

Was de ondergeschikte werkzaam voor een natuurlijk persoon, dan is die persoon bevoegd de kosten van de herstelde schade te verhalen op diens ondergeschikte.

Lid 3

Verricht de ondergeschikte een taak die hoorde tot zijn werk voor een rechtspersoon, dan is die enkel bevoegd om de schade te verhalen op diens ondergeschikte indien:
a.     de schade opzettelijk is toegebracht;
b.     de schade het gevolg is van de opzettelijke roekeloosheid van de ondergeschikte;

Artikel 12 BWV - Bijkomende schade
#

Lid 1

Die kosten die het gevolg zijn van maatregelen die worden getroffen om de schade in te perken dan wel het probleem op te lossen, mogen ook gezien worden als schade als gevolg van een onrechtmatige daad.

Lid 2

Het bepaalde in lid 1 geldt alleen wanneer het probleem, mits niet ingeperkt, dan wel onopgelost:
a.     een gevaarlijke situatie in stand houdt of laat ontstaan;
b.     in strijd is met de wet;
c.     het verkeer belemmerd;
d.     in strijd is met andere redelijke normen;
e.     de schade zou vergroten;

Lid 3

De inperking of oplossing zoals bedoeld in lid 1 moet redelijk zijn, gegeven de situatie, voordat zij als schade mag worden toegerekend.

Overeenkomst
#

                

Artikel 20 BWV - Overeenkomst
#

Lid 1

Een overeenkomst ontstaat door een aanbod en de aanvaarding daarvan.

Lid 2

Een aanbod kan tevens tegenprestaties bevatten. Bij het aanvaarden van het aanbod ontstaat van rechtswege de plicht om aan deze tegenprestaties te voldoen.

Lid 3

Zowel een aanbod als de aanvaarding van een aanbod zijn voor de wet gelijk aan rechtshandelingen en kunnen daarmee: nietig, vernietigbaar of geldig zijn.

Artikel 21 BWV - Aanbod
#

Lid 1

Een gedaan aanbod mag worden herroepen, zolang het nog niet is aanvaard. Tenzij specifiek staat vermeld dat het aanbod vrijblijvend is ,mag na de aanvaarding, maar voor enige aanvullende handeling is verricht, het aanbod worden ingetrokken, mits dit zo snel mogelijk wordt medegedeeld.

Lid 2

Een aanbod vervalt van rechtswege:
a.     Een mondeling aanbod vervalt wanneer het niet onmiddellijk wordt aanvaard;
b.     Een schriftelijk aanbod vervalt wanneer het niet binnen één week wordt aanvaard. Tenzij anders is bepaald in dat aanbod;
c.     Een aanbod door het tentoonstellen van zaken met een prijs vervalt zodra de tentoongestelde zaken worden weggehaald;

Artikel 22 BWV - Aanvaarding
#

Lid 1

Aanvaarding gebeurt wanneer een partij de mededeling doet de overeenkomst te aanvaarden, dan wel een handeling verricht met als doel het aanbod te accepteren.

Lid 2

Een aanvaarding die van een mondeling of schriftelijk aanbod afwijkt, geldt als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke.

Lid 3

Wijkt een tot aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod slechts op ondergeschikte punten af, dan geldt dit antwoord als aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig deze aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder meteen bezwaar maakt tegen de verschillen.

Artikel 23 BWV - Vormvereisten
#

Lid 1

Voor een rechtsgeldige overeenkomst dienen de volgende zaken vermeld dan wel duidelijk te zijn:
a.     tussen welke personen de overeenkomst is gesloten. In het geval van een rechtspersoon worden hier zowel de rechtspersoon als diens vertegenwoordiger genoemd;
b.     wat het doel is van de overeenkomst met bijbehorende prestaties en wederdiensten, voor zover van toepassing;
c.     wanneer er aan de overeenkomst is voldaan;
d.     wanneer de overeenkomst formeel ingaat, dan wel wanneer deze overeengekomen is;

Ingebrekestelling
#

                

Artikel 30 BWV - Onrechtmatige daad
#

Lid 1

In beginsel zal bij een onrechtmatige daad altijd getracht worden de fysieke schade te herstellen.

Lid 2

Ingebrekestelling treedt van rechtswege op wanneer:
a.     de schade niet fysiek te herstellen is door de aard van de schade of de zaak;
b.     herstel van de schade duurder uitvalt dan de gevolgen van ingebrekestelling;

Lid 3

Ingebrekestelling ten aanzien van een onrechtmatige daad houdt in dat de schuldenaar in plaats van voor het herstel aansprakelijk te zijn. De nieuwwaarde van de zaak die hij beschadigd heeft, vergoed.

Artikel 31 BWV - Overeenkomst
#

Lid 1

In beginsel zal bij een overeenkomst altijd getracht worden eerst te voldoen aan de overeenkomst binnen redelijke termijn.

Lid 2

In het geval van een overeenkomst zal de schuldenaar altijd in gebreke gesteld moeten worden voordat ingebrekestelling kan intreden. Dit mag slechts:
a.     wanneer de termijn voor nakoming verstreken is;
b.     wanneer de termijn voor nakoming verstreken is met 2 dagen, wanneer deze langer was dan 5 dagen;
c.     wanneer meermaals niet aan een of meerdere van de voorwaarden is voldaan die in de overeenkomst zijn opgenomen of uit de wet blijken;

Lid 3

Voor een schuldenaar in gebreke gesteld kan worden, dient deze tijdig en minstens eenmaal gewaarschuwd te zijn dat hij niet aan de overeenkomst voldoet. Tenzij dit onredelijke inspanning vraagt van de schuldeiser.

Lid 4

De compensatie van de ingebrekestelling mag onderling overeengekomen worden via een overeenkomst. Voor zover deze niet in strijd is met de wet.

Speciale overeenkomsten

#

                

Koop
#

                

Artikel 100 BWV - Koop
#

Lid 1

Koop is de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen.

Artikel 101 BWV - Overdracht
#

Lid 1

De verkoper is verplicht de verkochte zaak met eventueel toebehoren in eigendom over te dragen en af te leveren bij de koper. 

Lid 2

Met bijbehoren worden onder andere bedoeld:
a.     eigendomspapieren;
b.     de zaken die toegang verschaffen tot de gekochte zaak;
c.     benodigde materialen voor het initiële gebruik;
d.     alle zaken die zich op dan wel in de gekochte zaak bevinden, horen te bevinden;

Lid 3

Onder aflevering wordt verstaan het stellen van de zaak in het bezit van de koper, zodat deze er volledig gebruik van kan maken.

Lid 4

Bij een koop levert de verkoper de zaken zo snel mogelijk en in ieder geval binnen één week na het sluiten van de overeenkomst af. De partijen mogen echter een andere termijn overeenkomen.

Artikel 102 BWV - Risico-overdracht
#

Lid 1

De koper is op het moment van koop degene die een eventueel waardeverlies van hetgeen hij of zij koopt draagt. Behalve als
a.     dit verlies door toedoen van de verkoper is geschied;
b.     de koper om rechtmatige redenen vervanging of ongedaanmaking van de koop inroept;

Lid 2

Bij een koop waarbij de zaak bij de koper wordt bezorgd, is de zaak voor het risico van de koper vanaf het moment dat de koper of een door hem aangewezen derde, die niet de vervoerder is, de zaak heeft ontvangen.

Lid 3

In het geval dat de koper een vervoerder aanwijst en de keuze voor deze vervoerder niet door de verkoper wordt aangeboden, gaat het risico over op de koper op het moment van ontvangst van de zaak door de vervoerder.

Artikel 103 BWV - Juist product
#

Lid 1

De overgedragen zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden.

Lid 2

Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst, indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat in de overeenkomst is opgenomen.

Lid 3

Een andere zaak dan is overeengekomen, of een zaak van een andere soort, beantwoordt evenmin aan de overeenkomst. Hetzelfde geldt indien het afgeleverde aantal niet overeenkomt met wat is overeengekomen.

Artikel 104 BWV - Herstel van de koop
#

Lid 1

Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst, dan kan de koper eisen:
a.     aflevering van het ontbrekende;
b.     herstel van de afgeleverde zaak, mits de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen;
c.     vervanging van de afgeleverde zaak;

Lid 2

Hetgeen bepaald onder lid 1 c vervalt wanneer:
a.     de afwijking van het overeengekomene te gering is om dit te rechtvaardigen;
b.     de zaak is beschadigd of niet voldoet dankzij de koper, dan wel natuurlijk verval;

Lid 3

De kosten van nakoming van de in lid 1 bedoelde verplichtingen kunnen niet aan de koper in rekening worden gebracht.

Lid 4

Indien de verkoper niet binnen een redelijke tijd nadat hij daartoe door de koper schriftelijk is aangemaand, aan zijn verplichting tot herstel van de afgeleverde zaak heeft voldaan, is de koper bevoegd het herstel door een derde te laten verrichten en de kosten daarvan op de verkoper te verhalen.

Artikel 104 BWV - Koop ongedaan maken
#

Lid 1

Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst, dan heeft bij een consumentenkoop de koper tevens de bevoegdheid om:
a.     de overeenkomst te ontbinden, tenzij de afwijking van het overeengekomen, gezien haar geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt;
b.     de prijs te verminderen passend bij de mate van afwijking van de overeenkomst;

Lid 2

De in lid 1 bedoelde bevoegdheden ontstaan pas wanneer
a.     herstel en vervanging onmogelijk zijn;
b.     herstel en vervanging niet van de verkoper gevergd kunnen worden; 

Lid 3

Wanneer de koper een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbindt, zal:
a.     de koper het product weer overdragen aan de verkoper. Eventuele kosten hiervan komen voor rekening van de verkoper;
b.     bij ontvangst van de zaak of de bevestiging dat deze is teruggezonden zal de verkoper de betaalde prijs terugzenden;

Lid 4

Indien de zaak dan wel het gebrek van dien aard is dat terugzending geen redelijke optie is vervalt de plicht van de koper bedoeld onder lid 4 a. Mits deze aannemelijk maakt dat terugzending geen nut heeft of zulks overeenkomt met de verkoper.

Lid 5

De koper verliest het recht op ontbinding van de koop dan wel het herstel van een gebrek wanneer:
a.     de koper de verkoper niet binnen 1 week op de hoogte gesteld heeft van een aanwezig gebrek nadat hij dit constateert of redelijkerwijs had moeten constateren;
b.     er 2 weken zijn verstreken na het sluiten van de koop;

Lid 6

Het bepaalde onder lid 6 b is niet van toepassing wanneer de koper gebruik heeft gemaakt van diens rechten. In dat geval zal de termijn niet aanvangen voordat de verkoper aan diens schuld heeft voldaan of de koop is ontbonden.

Artikel 105 BWV - Prijs betalen
#

Lid 1

De koper is verplicht de prijs te betalen.

Lid 2

De verkoper heeft het recht om de te betalen prijs bij uitblijvende betaling te vorderen. Tenzij:
a.     de verkoper deze vordering pas 2 maanden na de koop doet;

Schenking
#

                

Artikel 200 BWV - Schenking
#

Lid 1

Schenking is de overeenkomst die tot doel heeft dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.

Lid 2

Het tot een bepaalde persoon gerichte schenkingsaanbod geldt als aangenomen, wanneer deze erna kennis te hebben genomen het niet binnen 1 dag heeft afgewezen. Dan wel binnen een andere overeengekomen periode.

Artikel 201 BWV - Vernietigbaarheid
#

Lid 1

Een schenking is vernietigbaar wanneer:
a.     de begiftigde een misdrijf begaat ten aanzien van de schenker;

Lid 2

Een schenking mag niet langer vernietigd worden wanneer:
a.     de schenker niet binnen 1 week juridische stappen heeft ondernomen ten aanzien van dit misdrijf, na hiervan in kennis gesteld te zijn;
b.     wanneer de schenker na 1 maand nog niet de vernietiging van de schenking heeft aangevraagd;

Huur
#

                

Artikel 300 BWV - Huur
#

Lid 1

Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.

Lid 2

Voor de wet wordt gelijkgesteld aan huur, maar zonder noodzakelijke tegenprestatie:
a.     bruikleen;

Artikel 301 BWV - Verplichtingen verhuurder
#

Lid 1

De verhuurder is verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.

Lid 2

De verhuurder is aansprakelijk voor eventuele schade die ontstaan is door normaal gebruik.

Lid 3

De verhuurder draagt de kosten:
a.     voor periodieke lasten die een normaal gebruik van het verhuurde mogelijk maken;
b.     voor het herstel van eventuele gebreken die een normaal gebruik van het verhuurde mogelijk maken;

Artikel 302 BWV - Verplichtingen huurder
#

Lid 1

De huurder is verplicht:
a.     de tegenprestatie op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen;
b.     de zaak zodanig te gebruiken zoals overeengekomen is dan wel waartoe de aard van de zaak bestemd is;

Lid 2

De huurder is aansprakelijk voor eventuele schade gemaakt door derden die met zijn goedkeuring gebruikmaken van het gehuurde, niet zijnde schade bedoeld in artikel 301 BWV lid 2.

Lid 2

De huurder is verplicht de verhuurder in de gelegenheid te stellen om gebreken te herstellen dan wel keuringen te laten uitvoeren die een normaal gebruik van het verhuurde mogelijk maken indien de huurder dit nalaat, zijn de eventuele gevolgen geheel voor de huurder, inclusief het geheel of gedeeltelijk meebetalen aan het herstellen van het gebrek.

Artikel 303 BWV - Einde huur
#

Lid 1

Een huur voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege op de bepaalde tijd;

Lid 2

Voor het opzeggen van de huur waarvoor geen einddatum is overeengekomen, geldt een opzeggingstermijn van 1 week.

Lid 3

Partijen mogen onderling andere afspraken maken over de opzegging van de huur.

Arbeidsovereenkomst
#

                

Artikel 400 BWV - Arbeidsovereenkomst
#

Lid 1

De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verplicht in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd werk te doen.

Artikel 401 BWV - Loon
#

Lid 1

De werkgever is verplicht de werknemer zijn loon op de bepaalde momenten:
a.     te verstrekken;
b.     ter beschikking te stellen;

Lid 2

Het salaris van een werknemer voldoet aan een van de volgende eisen:
a.     het loon is niet lager dan 1% van de door de arbeid ontstane omzet;
b.     het loon is niet lager dan € 500 per gewerkte dag;

Artikel 402 BWV - Instructies
#

Lid 1

De werknemer is verplicht zich te houden aan redelijke voorschriften van diens werkgever.

Artikel 403 BWV - Beëindiging arbeidsovereenkomst I
#

Lid 1

Een arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege wanneer de daarvoor overeengekomen termijn verstrijkt.

Lid 2

Een arbeidsovereenkomst mag worden beëindigd wanneer er sprake is van een van de volgende gevallen:
a.     de arbeid is niet langer nodig;
b.     de werknemer verricht zijn werk niet naar behoren;
c.     de werknemer is voor langere tijd niet aanwezig geweest op het werk;
d.     de werkgever houdt zich meermaals niet aan voor de arbeid relevante wettelijke bepalingen;
e.     er is frictie tussen werknemer en werkgever;

Lid 3

Bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst mogen werkgever en werknemer afwijken van dit artikel.

Artikel 404 BWV - Beëindiging arbeidsovereenkomst II
#

Lid 1

Wanneer een van beide partijen de arbeidsovereenkomst opzegt, dient hij de ander hiervan 1 week tevoren van op de hoogte te stellen. Tenzij anders is overeengekomen.

Lid 2

De werkgever verstrekt de werknemer al het nog niet uitbetaalde loon, gezien vanaf het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Dit geschiedt op zijn laatst 1 week na het sluiten van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 405 BWV - Bijzondere clausules
#

Lid 1

Partijen mogen in hun arbeidsovereenkomst een proeftijd opnemen die niet langer mag zijn dan twee weken.

Artikel 406 BWV - Uitzondering voor rechtspersonen met overheidsgezag
#

Lid 1

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op rechtspersonen belast met overheidsgezag 

Wet op de burgerlijke rechtsvordering

#

                

Pre-rechtspraak in het civielrecht

#

                

Mediation
#

                

Artikel 1 WBR - Vereisten
#

Lid 1

Mediation is voor de wet geldig indien het aan de volgende eisen voldoet:
a.     alle partijen die belang hebben bij de mediation zijn het eens met de mediation;
b.     de mediator heeft geen of een verwaarloosbaar belang bij de mediation;

Lid 2

Er mag aan mediation worden gedaan wanneer partijen onenigheid hebben over één of meer kwesties, waarbij zij willen proberen om er samen uit te komen.

Lid 3

Er bestaat geen plicht tot mediation.

Artikel 2 WBR - Uitkomst
#

Lid 1

Geen partij is gebonden aan de uitkomst van mediation. Echter het negeren of passeren van een rechtsgeldige mediation mag meegenomen worden als bewijs in zwaardere civiele procedures.

Rechtspraak in het civiel recht

#

                

Bevoegdheid
#

                

Artikel 100 WBR - Bevoegde rechtbanken
#

Lid 1

Enkel een civiele kamer is bevoegd een civiel proces te behandelen.

Lid 2

Voor de wet wordt een zaak tegen een overheidsorgaan gelijkgesteld aan een civiel proces. Behoudens de in deze wet benoemde uitzonderingen.

Artikel 101 WBR - Uitzonderingen voor civiele procedure overheidsorganen
#

Lid 1

Kwesties die conform artikel 100 WBR lid 2 niet behoren tot de civiele rechtspraak zijn:
a. zaken waarbij het gaat om corruptie dan wel enig ander strafbaar gesteld feit begaan door een individuele ambtenaar;

Artikel 102 WBR - Kamersamenstelling
#

Lid 1

Een civiele zaak wordt voorgezeten door:
a.     een enkelvoudige kamer bestaande uit één civiele rechter, indien het een kwestie betreft waarbij de afzonderlijke eisen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan €50.000;
b.     een meervoudige kamer bestaande uit minstens twee en maximaal drie civiele rechters, indien een enkelvoudige civiele kamer onbevoegd is;

Lid 2

Geen rechter of rechtbank is bevoegd te oordelen over een eis indien deze eis al is behandeld door het bestuur van Nederbeek. Behoudens die gevallen waar zij van datzelfde bestuur toestemming hebben gekregen.

Artikel 103 WBR - Rechters
#

Lid 1

In afnemende mate van voorkeur worden aangemerkt als civiele rechter:
a.     magistraten;
b.     leidinggevende van overheidsorganen;
c.     advocaten binnen Nederbeek;

Lid 2

Rechters komen enkel in aanmerking wanneer zij:
a.     niet inhoudelijk, althans niet te inhoudelijk bij de zaak betrokken zijn;

Lid 3

Rechters mogen ervoor kiezen om niet op te treden als rechter in een bepaalde zaak.

Lid 4

Voor de duur van de zaak worden rechters aangemerkt als magistraat voor die zaak waar zij rechter zijn. Wat inhoudt dat zij:
a.     de rechtsgang zullen bewaken;
b.     onpartijdig zullen oordelen;

Lid 5

Alvorens iemand mag optreden als rechter, dient deze in het bezit te zijn van een oorkonde waaruit blijkt dat deze persoon in staat is op te treden als rechter. Deze oorkonde wordt verstrekt door het Adviescomité Wetgeving Openbaar Ministerie.

Aanvraag en voorbereiding
#

                

Artikel 110 WBR - Vereisten
#

Lid 1

Een rechtszaak mag worden aangevraagd door een persoon of groep, dan wel hun advocaat, tegen een andere persoon of groep, mits zij beide instemmen hun zaak voor te leggen aan een rechter.

De plicht tot instemming vervalt wanneer:
a.     het een zaak is tegen een rechtspersoon belast met overheidsgezag;
b.     wanneer de eis betrekking heeft op een waarde hoger dan: €10.000;

Lid 2

De rechtbank is ongeacht lid 1 bevoegd om een zaak te weigeren.

Artikel 111 WBR - Eis
#

Lid 1

Indien de rechtbank heeft ingestemd met een civiel proces, zal de eiser zo snel mogelijk een dagvaarding opsturen naar de gedaagde, dan wel diens advocaat, en naar de rechtbank.

Lid 2

Een dagvaarding bestaat uit:
a.     de naam en andere relevante gegevens van de eiser;
b.     de naam en andere relevante gegevens van de gedaagde;;
c.     de voorgenomen vordering;
d.     de reden waarom deze vordering wordt gedaan;

Lid 3

De gedaagde mag na het ontvangen van de dagvaarding tegenvorderingen doen. Welke op zijn laatst meegezonden mogen worden met het dossier.

Lid 4

De eiser dan wel gedaagde mag de dagvaarding dan wel tegenvordering immer afzwakken tot en met het moment waarop de zitting is begonnen.
De eiser dan wel gedaagde mag tot drie dagen voor de zitting de dagvaarding dan wel tegenvordering verzwaren zonder toestemming van de rechtbank. 

Artikel 112 WBR - Agendering van de zaak
#

Lid 1

Na het ontvangen van de vorderingen zal de rechtbank:
a.     met de aanklagende en de aangeklaagde partij proberen in te schatten hoe groot de zaak wordt en hoeveel tijd er nodig gaat zijn;
b.     een of meerdere zittingsmomenten inplannen om de zaak te behandelen;

Lid 2

Het inplannen van zittingsmomenten dient aan de volgende eisen te voldoen:
a.     het aantal zittingsmomenten blijft zoveel mogelijk beperkt voor de praktische uitvoerbaarheid van de rechtspleging;
b.     de zittingsmomenten zijn voor zover mogelijk op zulke momenten gepland dat er voldoende tijd is voor de voorbereiding van de zaak;
c.     waar mogelijk toont de rechtbank flexibiliteit naar beide partijen, waarbij zij niet de plicht uit het oog verliest de zaak binnen redelijke termijn af te ronden;

Artikel 113 WBR - Geen gehoor
#

Lid 1

Indien de aanklager en/ of de rechtbank geen reactie krijgt vanuit de aangeklaagde partij nadat deze overduidelijk de vordering heeft ontvangen en er minstens één week is verstreken, kan de rechtbank besluiten de zaak voorwaardelijk bij verstek te behandelen.

Lid 2

Bij een voorwaardelijke verstekbehandeling wordt de aangeklaagde partij niet meegenomen in de voorbereiding van de zaak en heeft deze geen inspraak op het moment waarop eventuele zittingsmomenten zullen plaatsvinden.

Lid 3

Indien de rechtbank en/of de aangeklaagde partij geen reactie krijgt van de aanklagende partij en er minstens één week verstreken is dan wel wanneer er reeds een moment is, vastgesteld voor een behandeling van de gerechtelijke procedure, kan de rechtbank besluiten de zaak voorwaardelijk als niet-ontvankelijk te behandelen.

Lid 4

Bij een voorwaardelijke niet-ontvankelijkheidsbehandeling wordt de aanklagende partij niet meegenomen in de voorbereiding van de zaak en heeft deze geen inspraak op het moment waarop de behandeling van de zaak zal plaatsvinden. Tevens zal de aanklager definitief niet-ontvankelijk worden verklaard indien hij niet van zich heeft laten horen op het moment dat de procedure aanvangt en daar ook niet aanwezig is.

Lid 5

De voorwaardelijke verstek- en niet-ontvankelijkheidsbehandeling is niet langer toegestaan zodra er alsnog een reactie volgt voor de behandeling van de zaak is afgerond, niet zijnde het beslissen over dan wel uitspreken van een oordeel door de rechter.

De rechtbank mag besluiten een voorwaardelijke verstek- dan wel niet-ontvankelijkheidsbehandeling door te zetten indien er een zitting gepland staat en de niet-reagerende partij 24 uur van tevoren kenbaar maakt er niet bij te kunnen zijn en geen gegrond argument heeft waarom de reactie uitbleef. Dit geldt tevens als de niet-reagerende partij alsnog verschijnt op zitting.

Artikel 114 WBR - Dossier
#

Lid 1

Vijf dagen voor het eerste zittingsmoment levert de eiser het dossier aan, bij de rechtbank en de gedaagde partij. Met daarin:
a.     de te gebruiken bewijsstukken;
b.     een lijst met te horen getuigen;
c.     een overzicht van de opbouw van de eventuele kosten van de vordering; 

Lid 2

Drie dagen voor het eerste zittingsmoment levert de gedaagde het dossier aan, bij de rechtbank en de eisende partij. Met daarin:
a.     aanvullende bewijsstukken;
b.     een lijst met te horen getuigen;
c.     een overzicht van de opbouw van de eventuele tegenvordering, mits deze kosten met zich meebrengt; 

Lid 3

Bewijzen en getuigen mogen worden teruggetrokken, toegevoegd of, indien de aard dat toelaat, gewijzigd worden tot op een dag voor de zitting waarop zij behandeld wordt.

Artikel 115 WBR - Toelating getuigen
#

Lid 1

Uiteindelijk besluit de rechtbank over de te horen getuigen. De rechtbank mag besluiten een getuige niet te horen indien:
a.     dit geen toegevoegde waarde heeft;
b.     de getuigen aantoonbaar twijfelachtig is of is geweest;
c.     het omwille van de tijd niet mogelijk of wenselijk is een getuige te horen;

Lid 2

Indien een getuige niet gehoord wordt door de rechtbank, kan diens verklaring wel op schrift worden gesteld om meegenomen te worden in de bewijslast.

Lid 3

De partij die een getuige inbrengt, is verantwoordelijk voor het aanwezig laten zijn van die getuige op het daarvoor aangewezen zittingsmoment.

Artikel 116 WBR - Wijziging en te late inbreng
#

Lid 1

Het staat de rechtbank vrij om de aangegeven tijdslimieten te negeren in het belang van de rechtspleging. Zij mag tot op het einde van de behandeling van de zaak oordelen over de toelaatbaarheid van bepaalde acties.

Het proces
#

                

Artikel 120 WBR - Opening van de zitting
#

Lid 1

Voor de inhoudelijke behandeling van de zaak kan plaatsvinden, loopt de rechtbank de volgende punten af:
a.     het vaststellen van de aanwezigheid van alle relevante betrokkenen;
b.     het controleren van de identiteit van de aangeklaagde;
c.     het doornemen van de belangrijkste gedragsregels;
d.     het benoemen van de samenstelling en het doel van de rechtbank;
e.     het bespreken van verzoeken en eventuele punten van onvrede vanuit beide partijen;

Lid 2

Daarnaast controleert de rechtbank of de aangeleverde dossiers volledig zijn en of beide partijen alles ontvangen hebben. Eveneens controleert de rechtbank of alle getuigen aanwezig dan wel beschikbaar zijn.

Lid 3

Voor een getuige gehoord kan worden door de rechtbank en diens getuigenis als wettig bewijs mag tellen, dient zij de getuige onder ede te plaatsen. Dit is gebeurd wanneer de getuige positief antwoordde op de:
a.      de belofte, welke luidt: "Zweert u de waarheid te vertellen en niets anders dan de waarheid";
b.     of de eed, welke luidt: "Zweert u de waarheid te vertellen en niets anders dan de waarheid, zo waarlijk helpe mij God almachtig.";

Artikel 121 WBR - Aanhoren van standpunten
#

Lid 1

De rechtbank stelt na de opening van de zaak beide partijen in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken.

Lid 2

Allereerst vraagt zij de eiser de dagvaarding uiteen te zetten. In elk geval moet duidelijk zijn:
a.     wat de zaak inhoudt;
b.     welke feiten dit ondersteunen;
c.     wat de voorgenomen vordering is;

Lid 3

Na de eiser krijgt de gedaagde of diens advocaat de gelegenheid om hun visie op de dagvaarding te geven dan wel om een eventuele tegenvordering toe te lichten, waarbij duidelijk moet zijn:
a.     waarom de tegenvordering gedaan wordt;
b.     welke feiten dit ondersteunen;
c.     wat de voorgenomen tegenvordering is;

Artikel 122 WBR - Feitenbehandeling
#

Lid 1

Nadat de feiten zijn besproken, begint de rechtbank aan de feitenbehandeling. Welke bestaat uit:
a.     het bespreken van het bewijsmateriaal;
b.     het horen van getuigen;

Lid 2

In beginsel hanteert de rechtbank de volgende volgorde wanneer zij de feiten behandelt:
a.     de eiser wordt gevraagd om elk bewijsstuk toe te lichten, waarna de gedaagde en de rechtbank de gelegenheid krijgen hierover vragen te stellen;
b.     vervolgens worden de getuigen van de eiser gehoord. Waarbij eerst de eiser en daarna de gedaagde en de rechtbank de gelegenheid krijgen de getuige te bevragen;
c.     vervolgens krijgt de gedaagde de gelegenheid eventueel ingebracht tegenbewijs te bespreken. De eiser en de rechtbank krijgen hierbij de gelegenheid de gedaagde vragen te stellen;
d.     daarna worden de getuigen van de gedaagde gehoord. Waarbij eerst de gedaagde en daarna de eiser en de rechtbank de gelegenheid krijgen om vragen te stellen;

Lid 3

De bepalingen in lid 2 zijn niet leidend en de rechtbank mag hiervan afwijken, zolang er geen belangen onnodig geschaad worden.

Artikel 123 WBR - Getuigenverhoor
#

Lid 1

In beginsel vindt een getuigenverhoor als volgt plaats:
a.     in eerste instantie krijgt de partij die de getuige heeft opgeroepen dan wel conform de procedure als eerste aan het woord is de gelegenheid de getuige vragen te stellen;
b.     daarna wordt de andere partij in de gelegenheid gesteld vragen te stellen;
c.     vervolgens heeft de rechtbank de gelegenheid zelf vragen te stellen aan de getuigen;
d.     daarna wordt er een rondvraag gedaan of er nog vragen zijn aan de getuigen;
e.     tot slot beslist de rechtbank of de getuige mag gaan of dat deze moet blijven dan wel zich beschikbaar moet houden.

Lid 2

De wet maakt onderscheid tussen twee soorten verdachten, die niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar zijn in één persoon, maar voor de wet andere doelen dienen:
a.     een ooggetuige;
b.     een specialistische getuige;

Lid 3

Ooggetuigen zijn die getuigen die kunnen verklaren over een bepaalde gebeurtenis. Hen mogen alleen vragen gesteld worden over die feiten en gebeurtenissen waar zij getuigen van zijn geweest;

Lid 4

Specialistische getuigen zijn die getuigen die dankzij hun beroep of ervaring, kennis hebben over een bepaald onderwerp. Deze getuigen mogen enkel vragen gesteld worden over die onderwerpen waarin zij expertise hebben. Expertise wordt aangenomen indien de getuigen:
a.     een instructeur is;
b.     een specialisatie heeft gevolgd;
c.     voor langere tijd werkzaam is of tot kort geleden is geweest in een specifieke branche;
d.     aantoonbaar kennis heeft van een bepaald onderwerp;

Artikel 124 WBR - Pleidooien
#

Lid 1

Zowel de eiser als de gedaagde krijgen na de feitenbehandeling de gelegenheid om hun visie op de zaak samen te vatten in een pleidooi. Welke bestaat uit:
a.     wat zij vinden van de vorderingen;
b.     waarom eventuele vorderingen ongegrond of onredelijk zouden zijn;
c.     welke eisen zij stellen;

Artikel 125 WBR - Repliek en dupliek
#

Lid 1

Na de pleidooien krijgt de eiser de gelegenheid om een reactie te geven op het pleidooi van de verdediging, middels een repliek.

Lid 2

Indien er gebruikgemaakt is van het recht op een repliek, mag de gedaagde een weerwoord geven, middels een dupliek.

Artikel 126 WBR - Afronden inhoudelijke behandeling
#

Lid 1

Nadat de rechtbank kennis heeft genomen van de pleidooien, repliek dan wel dupliek, sluit zij de inhoudelijke behandeling en vermeldt, voor de zitting wordt afgerond het volgende:
a.     hoe de rechtbank zal vonnissen;
b.     op welke datum de rechtbank verwacht het vonnis klaar te hebben;

Artikel 127 WBR - Oplossingsstreven
#

Lid 1

De rechter zal, mits hij hier redelijke kans van slagen voor ziet, partijen in de gelegenheid stellen gezamenlijk tot een schikking te komen.

Lid 2

Hiertoe mag de rechter:
a.     beide partijen vragen onderling overleg te plegen om tot een schikking te komen;
b.     tussentijdse vonnissen op kwesties die een mogelijke schikking in de weg staan;

Uitspraak
#

                

Artikel 130 WBR - Wijjze van uitspraak
#

Lid 1

De rechtbank wijst altijd haar definitieve vonnis op papier.

Lid 2

De rechtbank kan na het afronden van de zitting gelijk mondeling uitspraak doen. Waarna zij op een later moment het vonnis op papier nog aanlevert.

Artikel 131 WBR - Vormvereisten
#

Lid 1

De rechtbank structureert het vonnis in beginsel op de volgende wijze:
a.     zij bespreekt het doel van de rechtszaak;
b.     welk bewijs er is toegelaten en waarom;
c.     welke feiten daarmee bewezen zijn;
d.     tot welke strafbare gedragingen de rechtbank komt, dan wel waarom zij tot vrijspraak komt voor een of meerdere feiten;
e.     de straf en/of de maatregelen die de rechtbank oplegt bij een schuldigverklaring;
f.     een oordeel over de schadeclaim;

Lid 2

Indien er tijdens de rechtszaak of bij het opstellen van het vonnis juridische kwesties zijn die van belang zijn om te behandelen voor toekomstige zaken, zal de rechtbank deze rechtsvragen ook behandelen in haar vonnis. Hierbij baseert zij zich op:
a.     allereerst op de wet;
b.     andere soortgelijke uitspraken, die nog relevant zijn;
c.     indien de bovenstaande geen uitkomst biedt, kan de rechtbank op eigen gezag normen stellen om een rechtsvraag te beantwoorden;

Artikel 132 WBR - Voortijdig beslissen
#

Lid 1

Indien de rechtbank dit wenselijk acht, kan zij besluiten voorafgaand aan het vonnis maatregelen op te leggen.

Bijzondere wetten van Nederbeek

#

        

Advocatenwet

#

                      

Het tableau

#

                

Artikel 1 Aw - Aanstelling tot advocaat
#

Lid 1

Eenieder is in beginsel bevoegd om in individueel of bedrijfsmatige uitoefening op te treden als advocaat. 

Lid 2

Een advocaat die optreedt namens een cliënt dient enkel:

a.     in het bezit te zijn van een positieve verklaring omtrent gedrag;
b.     niet vooraf betrokken te zijn bij de zaak of relevante derde in de kwestie waarvoor hij als advocaat optreedt;

Artikel 2 Aw - Toepassing van rechtswege
#

Lid 1

Hij die stelt op te treden als advocaat accepteert van rechtswege de bepalingen in dit artikel en verbindt zich aan de rechten, plichten en sancties dan wel andere gevolgen die deze wet daaraan verbindt.

De rechten en plichten van een advocaat

#

                

Artikel 3 Aw - Geheimhoudingsplicht
#

Lid 1

Een advocaat heeft de plicht alle informatie die hem toekomt in zijn hoedanigheid van advocaat toekomt geheim te houden. Behoudens die gevallen waarin de cliënt van de advocaat deze plicht schriftelijk, geheel of gedeeltelijk, opheft.

Lid 2

Een advocaat verwerft middels het benoemde recht in lid 1 het verschoningsrecht voor die vragen die er toe zouden leiden dat de advocaat de plicht in lid 1 zou schenden.

Lid 3

Indien een advocaat zijn geheimhoudingsplicht schendt is op klacht van de cliënt van die advocaat wiens informatie onrechtmatig openbaar is gemaakt door de advocaat, vervolging mogelijk krachtens artikel 183 Sr.

Artikel 4 Aw - Vertrouwelijke stukken
#

Lid 1

Een advocaat heeft het recht om documenten en/of ander bewijsmateriaal in te zien dat normaal gesproken niet voor het brede publiek of zelfs de verdachte toegankelijk is. Waaronder worden verstaan:

a.     Processen Verbaal;
b.     Al dan niet geanonimiseerde getuigenverklaringen;
c.     Al dan niet volledige strafdossiers;

Lid 2

Een advocaat is in beginsel niet bevoegd om deze stukken met iemand anders te delen of inhoud uit deze stukken te delen. Tevens niet ten aanzien van diens eigen cliënt. Behoudens die gevallen waarbij de verstrekkende ambtenaar of instantie hier toestemming voor geeft.

Lid 3

Worden stukken of informatie uit de in lid 1 benoemde stukken toch door een advocaat met derde gedeeld dan is vervolging op grond van artikel 183 Sr. mogelijk.

Artikel 5 Aw - Gedragscode
#

Lid 1

Een advocaat dient zich te allen tijde te gedragen zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Waaronder wordt verstaan dat:

a.     een advocaat kundig en met kennis van zaken spreekt en adviseert over de wet en het recht;
b.     een advocaat integer handelt met betrekking tot stukken, informatie en personen;
c.     een advocaat partijdig maar fatsoenlijk opstelt ten aanzien van de wederpartij en/of de overheid;
d.     een advocaat zich houdt aan de kaders en regels die wet stelt;
e.     een advocaat zich houdt aan eventuele regelingen dan wel afspraken die door de overheid dan wel semioverheden zijn opgesteld met als doel het bezoek te reguleren;

Lid 2

Schending van deze gedragscodes kan een advocaat open stellen voor het toepassen van tuchtmiddelen.

De advocaat in het strafrecht

#

            

Artikel 6 Aw - Bijwonen verhoor en voorgeleiding
#

Lid 1

Wanneer een advocaat optreedt in een strafrechtelijke kwestie is deze bevoegd om:

a.     om het verhoor van een verdachte bij te wonen, mits daarom gevraagd is door de verdachte;
b.     om het geplande verhoor, voor een rechtszaak, van een getuige bij te wonen, mits daarom gevraagd is door de getuige dan wel op uitnodiging van het Openbaar Ministerie mits het een zaak betreft waar de advocaat optreedt namens een belanghebbende in die zaak;

Lid 2

Indien de advocaat aanwezig is bij een verhoor, voorgeleiding of strafbeschikking van de verdachte wordt hij voor aanvang van het gesprek de gelegenheid gesteld om maximaal 10 minuten met zijn cliënt te overleggen. 

In het geval van verhoor, voorgeleiding of strafbeschikking heeft een advocaat tevens het recht om in totaal, maar niet noodzakelijkerwijs achter elkaar voor 10 minuten het gesprek te onderbreken en met zijn cliënt te overleggen.

Artikel 7 Aw - Strafrechtelijke tuchtmiddelen
#

Lid 1

Indien een advocaat zich zodanig gedraagt dat hij zich verdacht maakt aan strafbare feiten of zich vatbaar maakt voor tuchtmiddelen, zijn de volgende tuchtmiddelen van toepassing, wanneer het een strafrechtelijke kwestie betrof:

a.     het kortstondig ongewenst verklaren van de advocaat;
b.     het langdurig ongewenst verklaren van de de advocaat;

Artikel 8 Aw - Ongewenst verklaring advocaat
#

Lid 1

Indien een advocaat kortstondig ongewenst wordt verklaard is hij niet langer bevoegd op te treden als advocaat in strafrechtelijke kwesties.

Het kortstondig ongewenst verklaren van een advocaat gebeurt door de Hoofd Officier van Justitie.

De kortstondige ongewenst verklaring vervalt in beginsel na 1 maand, maar kan door elke Officier van Justitie na 1 week naar toepassing al ongedaan worden gemaakt indien:

a.     er nood is aan een advocaat voor een verdachte en de Officier van Justitie de indruk heeft dat de advocaat zich niet nogmaals zal misdragen;
b.     er nieuwe inzichten naar voren komen die de opheffing rechtvaardigen;

Lid 2

Indien een advocaat langdurig ongewenst wordt verklaard is hij niet langer bevoegd op te treden als advocaat in strafrechtelijke kwesties.

Het langdurig ongewenst verklaren van een advocaat gebeurt door de Hoofd Officier van Justitie. En geschiedt enkel wanneer:

a.     er al eerder spraken is geweest van een kortstondige ongewenst verklaring van een advocaat;
b.     de advocaat zich grovelijk heeft misdragen en daardoor de ambtenaren ernstig heeft gehinderd of voor onnodige onrust heeft gezorgd;

De langdurige ongewenst verklaring vervalt in beginsel niet. Echter kan deze worden ingetrokken of worden omgezet naar een kortstondige ongewenst verklaring door de Hoofd Officier van Justitie.

Bijzondere middelen

#

            

Artikel 8 Aw - Opheffen van de geheimhouding
#

Lid 1

Indien er een gegronde verdenking bestaat dat een advocaat zich als advocaat heeft opgesteld ten einde misbruik te maken van het geheimhoudingsplicht en het bijbehorende verschoningsrecht kan deze worden opgeheven.

Misbruik van de zwijgplicht wordt sowieso aangenomen indien:
a.     er blijkt dat de advocaat betrokken was bij enige strafbare handeling in een zaak waar hij later optrad;
b.     probeert met zijn geheimhoudingsplicht zijn eigen aandeel te verbergen;
c.     een cliënt intimideert of anderszins onheus bejegend of beïnvloed;
d.     een advocaat aantoonbaar onwaarheden verkondigd over zijn betrokkenheid bij een strafrechtelijk proces;

Lid 2

Opheffing van de geheimhouding gebeurt enkel door:

a.     een rechter aan wie een zaak wordt voorgelegd waar de advocaat in kwestie in optreedt;
b.     een Hoofd Officier van Justitie wanneer er spraken is van een langduriger strafrechtelijk onderzoek is naar de advocaat in kwestie of diens handelen;

Lid 3

De geheimhouding wordt enkel en alleen opgeheven voor zover dat nodig is om de gezochte informatie te bemachtigen. En is enkel van toepassing op die zaken waarbij er spraken lijkt te zijn van het misbruiken van de geheimhouding.

Gedragscode journalistiek

#

                

Waarheidgetrouw

#

            

Artikel 1 GJ - Weergave van de werkelijkheid
#

Lid 1

Bij het doorgeven van nieuws neemt de journalist de werkelijkheid zoals hij die aantreft en waarneemt als uitgangspunt. De verificatie van feiten en de weergave van uiteenlopende meningen belichaamt het journalistieke streven naar objectiviteit.

Artikel 2 GJ - Feiten, beweringen en meningen
#

Lid 1

De journalist brengt in de berichtgeving een duidelijk onderscheid aan tussen feiten, beweringen en meningen.

Artikel 3 GJ - Feitenontrole
#

Lid 1

De journalist controleert de feiten in zijn berichtgeving en maakt die feiten waar mogelijk controleerbaar.

Artikel 4 GJ - Rekenschap fictie
#

Lid 1

De journalist die in zijn berichtgeving fictieve elementen verwerkt, door namen van betrokkenen te wijzigen of feiten te dramatiseren, legt daarvan telkens rekenschap af.

Artikel 5 GJ - Versoepeling op recreatief schrijven
#

Lid 1

In columns, recensies, opiniërende berichten en vergelijkbare genres komt de journalist een grotere vrijheid toe dan in andere berichtgeving, waar het gaat om het controleren van feiten, het achterwege laten van wederhoor, en het door elkaar gebruiken van feiten en fictie.

Onafhankelijkheid

#

            

Artikel 10 GJ - Vermelding persoonlijk belang
#

Lid 1

De journalist zal, indien hij gebonden is aan enige politieke partij, belangenvereniging of bedrijf anders dan de uitgever van zijn eigen medium, daarvan in zijn berichtgeving telkens rekenschap geven indien dat voor de beoordeling van het bericht relevant is.

Artikel 11 GJ - Verbod op omkoping
#

Lid 1

De journalist neemt geen materiële of immateriële vergoedingen aan die bedoeld zijn berichtgeving te beïnvloeden, te bevorderen of tegen te gaan.

Fair

#

            

Artikel 21 GJ - Bronbescherming
#

Lid 1

De journalist beschermt bronnen aan wie hij vertrouwelijkheid heeft toegezegd. 

Artikel 22 GJ - Wederhoor
#

Lid 1

Het zoeken naar hoor en wederhoor is een journalistiek basisprincipe. In het bijzonder bij het publiceren van beschuldigingen of verdachtmakingen aan het adres van een persoon of organisatie, past de journalist wederhoor toe. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid, liefst in dezelfde publicatie en zonder onredelijke tijdsdruk, te reageren op de aantijging.

Artikel 23 GJ - Onjuiste of schadelijke publicatie
#

Lid 1

De journalist van wie blijkt dat hij een onjuist bericht heeft gepubliceerd, zal het schadelijke bericht of de onnauwkeurigheid, gevraagd of ongevraagd, op zo kort mogelijke termijn op royale wijze corrigeren in een rectificatie of middels een rectificatie.

Open vizier

#

        

Artikel 31 GJ - Onrechtmatig verkrijgen informatie
#

Lid 1

De journalist steelt geen informatie en betaalt niet voor gestolen informatie

Lid 2

De journalist maakt geen gebruik van onrechtmatig door derden verkregen informatie, tenzij met publicatie daarvan een groot maatschappelijk belang is gediend. 

Handhaving

#

            

Artikel 41 GJ - Afdwingbaarheid
#

Lid 1

Alle bepalingen in deze gedragscode zijn omwille van de naleving ervan afdwingbaar voor een magistraat. 

Artikel 42 GJ - Sancties
#

Lid 1

Indien de rechter vaststelt dat één of meerdere bepalingen in deze gedragscode niet zijn nageleefd kan deze besluiten de betreffende journalist of diens organisatie te sanctioneren met: 

Lid 2

Indien de rechter vaststelt dat één of meerdere bepalingen in deze gedragscode niet zijn nageleefd kan deze besluiten de betreffende journalist of diens organisatie te sanctioneren met:
a.     Het verplicht laten schrijven van een rectificatie;
b.     Het compenseren van de benadeelde van een publicatie die niet in lijn is met de gedragscode van ten hoogste €10,000;
c.     Het aansprakelijk stellen van de journalist of diens organisatie voor schade die een benadeelde heeft geleden als gevolg van de onheuse publikatie; 

Lid 3

Ter aansporing tot nakoming van de sancties genoemd in lid 1 kan de behandelende magistraat besluiten een maximale dwangsom van €1,000 per dag tot een maximum van €15,000 op te leggen aan de journalist of diens instantie.
a.     Deze dwangsom zal ten gunste komen van de benadeelde van een onheuse publicatie. 

Wet op de bedrijfsvoering

#

        

Algemene bepalingen aangaande bedrijven

#

        

Veiligheid
#

        

Artikel 1 WBV - Veiligheidseisen van panden
#

Lid 1

Een pand waar mensen werken, moet voldoen aan de volgende vereisten:
a.     er moet een duidelijk en toegankelijk evacuatieplan zijn;
b.     er is een duidelijke lijst met bedrijfshulpverleners toegankelijk en bruikbaar bij calamiteiten;
c.     de (nood)uitgangen zijn vrij van verplaatsbare obstakels;
d.     binnen in het bedrijf zijn geen verplaatsbare obstakels die ontruiming bemoeilijken;
e.     er zijn duidelijke instructies over hoe te werken of om te gaan met risicopunten binnen het bedrijf;
f.     het gebouw is structuur- en brandtechnisch in orde;

Artikel 2 WBV - Veiligheidseisen voor personeel
#

Lid 1

Personeel van een bedrijf moet voldoen aan de volgende eisen:
a.     in staat zijn om het evacuatieplan uit te voeren;
b.     in staat zijn de juiste stappen te nemen bij calamiteiten;
c.     bij calamiteiten in staat zijn de instructies van leidinggevende, bedrijfshulpverleners of bevoegde instanties op te volgen;
d.     instaat zijn het werk veilig uit te voeren, al dan niet naar aanleiding van voorschriften vanuit het bedrijf, zoals bedoelt in artikel 1 WBV lid 1 onder e;

Artikel 3 WBV - Bedrijfshulpverlening
#

Lid 1

Slechts de veiligheidsregio is bevoegd om personen naar eigen inzicht een certificaat te verlenen om op te mogen treden als bedrijfshulpverlener. Daarbij gaat de veiligheidsregio over:
a.     de geldigheidsduur van het certificaat;
b.     de inhoudelijke kennis die nodig is voor het certificaat;

Verklaringen omtrent gedrag (VOG)
#

        

Artikel 10 WBV - Vereiste verklaring omtrent gedrag
#

Lid 1

Alle organisaties zijn bevoegd om te eisen dat al hun medewerkers een positieve verklaring omtrent gedrag hebben.

Lid 2

Er geldt een verbod op het verplicht stellen van een positieve verklaring omtrent gedrag voor slechts één of enkele medewerkers binnen de organisatie, tenzij:
a.     dit onderscheid wordt gemaakt op basis van functie;

Artikel 11 WBV - Uitvoeringsinstantie
#

Lid 1

Het Openbaar Ministerie is als enige bevoegd om rechtsgeldige verklaringen omtrent gedrag af te geven.

Lid 2

Hiervoor is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het volgende:
a.     het inzien van iemands strafblad en de daarbij horende strafdossiers;
b.     het opstellen van profielen of regels voor het keuren van verklaringen omtrent gedrag;
c.     het aanbrengen van onderscheid in verklaring omtrent gedrag voor specifieke beroepsgroepen of taken of andere zinvolle redenen.

Artikel 12 WBV - Limieten
#

Lid 1

Een verklaring omtrent gedrag mag slechts worden gebaseerd op:
a.     gepleegde misdrijven beschreven in het Wetboek van Strafrecht;
b.     wanneer hier een veroordeling voor is gegeven binnen of korter dan twee weken na het moment van aanvraag.

Winkelverbod
#

        

Artikel 20 WBV - Winkelverboden
#

Lid 1

Winkelverboden mogen worden aangevraagd door de eigenaar of bestuurder van een organisatie, voor:
a.     al hun bedrijven in Nederbeek;
b.     de posten dan wel garages van de veiligheidsregio;

Lid 2

Winkelverboden mogen niet worden aangewend met als doel:
a.     het kunnen weigeren van hulp door de veiligheidsregio of de politie;
b.     het weigeren van ambtenaren van de veiligheidsregio, de politie en/of het Openbaar Ministerie wanneer zij daar zijn in het kader van hun ambt;

Lid 3

Een winkelverbod wordt gelijkgesteld aan de strafrechtelijke maatregelen benoemd in artikel 4 Sr. lid 2.

Lid 4

Slechts het Openbaar Ministerie is bevoegd om een rechtsgeldig winkelverbod uit te vaardigen.

Lid 5

Bij het toetsen van de redelijkheid van een winkelverbod houdt het Openbaar Ministerie rekening met:
a.     de wettelijke eis van artikel 4 Sr. lid 2;
b.     eigen richtlijnen;
c.     de ernst van de onrust of strafbare gedraging;
d.     het belang van de organisatie voor het eigen levensonderhoud dan wel gemak;
e.     andere gebiedsverboden;

Artikel 21 WBV - Wegsturen
#

Lid 1

Een bedrijf is bevoegd een persoon te weigeren indien deze overlast heeft veroorzaakt of zich strafbaar gedraagt in het bedrijf of ten aanzien van minstens één van de medewerkers, zonder dat daarvoor een winkelverbod nodig is.

Lid 2

De bepaling van lid 1 is niet van toepassing op:
a.     weigeringen op basis van eerdere misdragingen dan wel strafbare gedragingen in het verleden, zonder dat daarvoor een nog geldig winkelverbod is toegekend;

Specifieke bepalingen aangaande bedrijven

#

        

Algemene periodieke keuringen (APK)
#

        

Artikel 50 WBV - Bevoegde organisaties
#

Lid 1

Enkel bedrijven die geregistreerd staan als autobedrijven mogen een algemene periodieke keuring uitvoeren.

Artikel 51 WBV - Algemene periodieke keuring
#

Lid 1

Een voertuig moet elke twee maanden gekeurd worden op diens wegwaardigheid.

Lid 2

Een voertuig is niet wegwaardig indien het op het moment van keuring:
a.     één of meerdere illegale kenmerken vertoond, welke beschreven staan in artikel 42 Sr.;
b.     aanzienlijke schade heeft aan het chassis;
c.     enige schade heeft aan de motor;

Lid 3

Autobedrijven mogen reparaties of modificaties aanbieden om een voertuig te laten voldoen aan de eisen voor een algemene periodieke keuring.
a.     eventuele kosten voor dergelijke modificaties of reparaties mogen los van een eventuele prijs voor algemene periodieke keuringen in rekening gebracht worden.

Artikel 52 WBV - Eigendom vereiste
#

Lid 1

Slechts de eigenaar van een voertuig mag verzoeken om dat voertuig te onderwerpen aan een algemene periodieke keuring.

Artikel 53 WBV - Keuringsplicht
#

Lid 1

Alle autobedrijven zijn bij wet verplicht een algemene periodieke keuring uit te voeren wanneer de eigenaar van dat voertuig daarom vraagt.

Lid 2

De plicht zoals bedoeld in lid 1 geldt niet wanneer:
a.     de eigenaar van het voertuig een contact- of gebiedsverbod heeft krachtens artikel 4 Sr. lid 2;
b.     er op het moment van het verzoek geen medewerkers aanwezig zijn die de keuring namens de organisatie mogen uitvoeren.

Lid 3

Geen voertuig kan door een autobedrijf verplicht worden een voertuig een algemene periodieke keuring te laten ondergaan. Behoudens die gevallen waarbij het bedrijf geheel of gedeeltelijk eigenaar is van het voertuig. Waaronder in elk geval wordt verstaan:
a.     die voertuigen die zij aan anderen verhuurt of tijdelijk in bruikleen heeft gegeven.

Beveiliging
#

        

Artikel 60 WBV - Toepasbare organisaties
#

Lid 1

Clubs zijn bevoegd beveiligers in dienst te nemen en deze op hun terrein beveiligingstaken te laten uitvoeren. Mits er voldaan wordt aan de in dit hoofdstuk benoemde bepalingen.

Artikel 61 WBV - Organisatorisch beleid
#

Lid 1

Binnen de kaders van de in dit hoofdstuk benoemde bepalingen is een organisatie zelf bevoegd te bepalen wanneer en hoe beveiligingstaken worden uitgevoerd.

Artikel 62 WBV - Beveiligingstaken
#

Lid 1

Onder beveiligingstaken wordt verstaan:
a.     het controleren en registreren van de identiteit van zij die het terrein van de organisatie wil betreden door middel van het opvragen van het identificatiebewijs;
b.     het verlenen/weigeren van de toegang tot het terrein van de organisatie;
c.     personen al dan niet door middel van vastpakken verwijderen van het terrein van de organisatie;
d.     het op verzoek van het gezag tijdelijk vastzetten of afzonderen van personen ten aanzien van wie: mogelijk een aangifte wordt gedaan door de organisatie, het bekend is dat hij gezocht wordt door de overheid, opgemerkt is dat deze zich schuldig maakt/heeft gemaakt aan een strafbaar feit  

Lid 2

Indien een van bovenstaande taken in de uitvoering leidt tot het begaan van enige strafbare gedraging beschreven in de wetten van Nederbeek is een beveiliger hiervoor niet vervolgbaar. Mits hij zich aan de bepalingen beschreven in dit hoofdstuk heeft gehouden.

Lid 3

In beginsel wordt aangenomen dat een beveiliger beveiligingstaken correct heeft uitgevoerd. Tenzij bewezen wordt dat dit niet het geval is geweest. 

Artikel 63 WBV - Organisatie vereisten
#

Lid 1

Voor een organisatie beveiligers mag aanstellen, dient zij eerst te voldoen aan de volgende voorwaarden:
a.     in het bezit zijn van een geldige beveiligingslicentie van het Openbaar Ministerie.

Artikel 64 WBV - Individuele vereisten
#

Lid 1

Voor beveiligers zelf gelden geen bij wet verplichte eisen. Behoudens die welke in dit artikel genoemd staan:
a.     Beveiligers mogen hun taak niet uitvoeren zonder een positieve verklaring omtrent gedrag. Tenzij de organisatie dit niet als eis stelt;

Artikel 65 WBV - Verbod
#

Lid 1

het is beveiligers niet toegestaan hun taken uit te voeren ten nadele van enig ambtenaar die in die hoedanigheid een taak uitvoert op het terrein van de organisatie.

Handhaving van de wet op de bedrijfsvoering

#

        

Inspectie
#

        

Artikel 100 WBV - Overtreding
#

Lid 1

Een bedrijf is in overtreding indien het zich niet houdt aan de beschreven bepalingen in de hoofdstukken:
a.     veiligheid;
b.     verklaring omtrent gedrag;
c.     winkelverboden;
d.     algemene periodieke keuringen
e.     beveiliging.

Lid 2

Als gevolg van een geconstateerde overtreding kunnen maatregelen dan wel sancties worden opgelegd ten aanzien van het bedrijf. Welke indien nodig ten laste komen van één of alle eigenaren van dat bedrijf.

Lid 3

Daarnaast wordt specifiek bepaald dat in elk geval de volgende medewerkers vatbaar zijn voor strafrechtelijke gedragingen als gevolg van een door hen begane overtredingen van deze wet:
a.     beveiligers;

Artikel 101 WBV - inspectie
#

Lid 1

Ten einde te controleren of een bedrijf in overtreding is mag de inspectie van een organisatie plaatsvinden.

Lid 2

Deze inspectie mag slechts plaatsvinden:
a.     als gevolg van een periodieke keuring;
b.     indien er meerdere klachten binnengekomen zijn dat een organisatie mogelijk in overtreding is;
c.     indien de inspectie gegronde aanleiding heeft om buiten klachten om te vermoeden dat een organisatie in overtreding is.

Artikel 102 WBV - Inspectieorgaan
#

Lid 1

In beginsel berust de bevoegdheid om op te treden als inspectie, en sancties dan wel maatregelen op te leggen, alleen bij het Openbaar Ministerie. Behoudens die gevallen waarin de wet of het Openbaar Ministerie anders bepaalt.

Artikel 103 WBV - Veiligheidsinspecties
#

Lid 1

Veiligheidsinspecties worden uitgevoerd door de veiligheidsregio.

Lid 2

De veiligheidsregio is bevoegd om zelfstandig inspecties te ondernemen, zolang het een inspectie betreft bedoeld onder artikel 101 WBV lid 2 onder a. Buiten die gevallen om dient zij eerst toestemming te vragen aan het Openbaar Ministerie.

Artikel 104 WBV - Beperkte inspectie
#

Lid 1

Inspectie van organisaties mag slechts plaatsvinden op basis van deze wet.

Lid 2

De middelen en sancties die in deze wet beschreven staan, mogen enkel worden toegepast zolang zij in overeenstemming zijn met deze wet en het gevolg zijn van een wettige inspectie.

Lid 3

Geen inspecteur is bevoegd om diens gezag aan te wenden buiten een wettige inspectie om. Ten aanzien van organisaties, eigenaren of medewerkers. Niet zijnde die bevoegdheden en taken die het gevolg zijn van andere wetten van Nederbeek. Waaronder in elk geval wordt verstaan:
a.     de bevoegdheden als gevolg van strafrechtelijke taken.

Artikel 105 WBV - Inspectiemiddelen
#

Lid 1

Voor het uitvoeren van de inspectietaak is een inspecteur bevoegd gebruik te maken van de volgende middelen:
a.     bezoeken;
b.     doorzoeken;
c.     het houden van interviews
d.     een oefening uitvoeren;
e.     een steekproef nemen;
e.     het inzien van de bedrijfsadministratie;
f.     het inzien van camerabeelden;
g.     het doen van een algemene oproep.

Lid 2

Als aanvulling op artikel 103 WBV geldt voor veiligheidsinspecties dat zonder toestemming van het Openbaar Ministerie de veiligheidsregio de middelen bedoelt onder lid 1 a, b en d mag inzetten. Dit geldt van rechtswege voor alle veiligheidsinspectie. Tenzij:
a.     de inspectie plaatsvindt op het terrein van een overheidsorgaan.

Artikel 106 WBV - Bezoek
#

Lid 1

Onder een bezoek wordt verstaan:

a.     het zonder toestemming van de eigenaar mogen betreden van het terrein van de organisatie;

b.     het mogen rondkijken op het terrein van de organisatie en alles met het oog inspecteren;
c.     het gade mogen slaan van de werkzaamheden van medewerkers;

Lid 2

De bevoegdheden horende bij het bezoek gelden enkel voor zover de inspecteur zich geen toegang hoeft te forceren tot het pand, behoudens de eigenaar of bestuurder te sommeren hem de toegang te verlenen.

Artikel 107 WBV - Doorzoeking
#

Lid 1

Onder een doorzoeking wordt verstaan:

a.     het bekijken van de opslagplekken binnen een organisatie;
b.     het mogen inspecteren van de spullen in deze opslagplekken; 

Lid 2

De bevoegdheden horende bij de bedrijfsdoorzoeking gelden enkel voor zover de inspecteur zich geen toegang hoeft te forceren tot het pand of de te doorzoeken plekken, behoudens de eigenaar sommeren hem de toegang te verlenen.

Artikel 108 WBV - Het houden van interviews
#

Lid 1

Onder een verhoor wordt verstaan:

a.     het stellen van vragen in de organisatie zelf of in de omgeving van de organisatie;
b.     het houden van enquêtes in de organisatie zelf of in de omgeving van de organisatie;
c.     het als getuige horen van klanten, medewerkers of eigenaren, al dan niet op een externe locatie;

Lid 2

Alle middelen benoemd in lid 1 zijn op vrijwillige basis. Slechts medewerkers en leidinggevenden van een bedrijf kunnen door de inspectie gesommeerd worden om deel te nemen aan een verhoor, zoals bedoeld in lid 1 onder c.

Lid 3

Indien de inspectie iemand verhoord dient zij:
a.     dit duidelijk kenbaar te maken;
b.     de te verhoren persoon te wijzen op diens recht om te zwijgen;
c.     de te verhoren persoon te wijzen op diens recht om zich te doen bijstaan door een raadsman;
d.     de te verhoren persoon onder ede te stellen en kenbaar te maken dat liegen onder ede strafbaar is;

Artikel 109 WBV - Oefening
#

Lid 1

Onder een oefening wordt verstaan:

a.     het laten uitvoeren van een protocol met als doel de naleving ervan te controleren;

Lid 2

De bevoegdheden horende bij het houden van een oefening gelden enkel voor zover de inspecteur geen medewerking hoeft te forceren van de daar aanwezigen, behoudens de eigenaar sommeren het protocol in te roepen of het alarm af te laten gaan.

Artikel 110 WBV - Steekproef
#

Lid 1

Onder een steekproef wordt verstaan:

a.     het afnemen van de dienst van het bedrijf dat wordt geïnspecteerd;
b.     het trachten af te nemen van een dienst die bij wet of reglement verboden is;

Lid 2

Indien de inspectie het vermoeden heeft dat haar aanwezigheid de uitslag van de steekproef beïnvloedt, mag zij een derde vragen de dienst af te nemen of te proberen af te nemen. Echter geldt het verslag hiervan als ware het een verhoor van een medewerker, met alle rechten en plichten van dien.

Artikel 111 WBV - Inzien en inbeslagname bedrijfsadministratie
#

Lid 1

Deze inspectie is bevoegd om de bedrijfsadministratie in te zien, wat inhoudt dat de inspectie:

a.     met een medewerker mee mag kijken in alle stukken van de bedrijfsadministratie;
b.     toegang mag krijgen tot of een kopie mag ontvangen van de bedrijfsadministratie;

Lid 2

Onder de bedrijfsadministratie wordt in elk geval verstaan:
a.     de documenten of systemen die de organisatie gebruikt om haar werkzaamheden uit te voeren;
b.     de contracten en andere overeenkomsten die de organisatie is aangegaan;
c.     de financiële administratie/boekhouding;
d.     de personeelsadministratie waaronder mede wordt begrepen de diploma's van medewerkers.
e.     incidentenlijsten/ BHV-lijsten;
f.     een lijst met lopende juridische procedures tegen en namens de organisatie;

Lid 3

De bepalingen uit lid 1 zijn slechts van toepassing voor zover een organisatie de documenten of systemen beschreven in lid 2 heeft. Aan dit artikel kunnen geen plichten voor organisaties worden ontleend om specifieke bedrijfsadministratie te hebben.

Lid 4

Het Openbaar Ministerie verleent slechts toestemming voor de inzet van dit middel wanneer voldaan wordt aan de volgende eisen:
a.     er sprake is van een vermoeden dat een bedrijf een overtreding heeft begaan, niet zijnde een algemene overtreding bedoeld in artikel 151 WBV;
b.     het aannemelijk is dat de inspectie conclusies kan trekken op basis van deze administratie;

Lid 5

Daarnaast draagt de inspectie zorg voor dat:
a.     de inbreuk op de privacy zo veel mogelijk beperkt wordt;
b.     het bedrijfsproces zo min mogelijk gehinderd wordt;

Artikel 112 WBV - Inzien van de camerabeelden
#

Lid 1

Deze inspectie is bevoegd om camerabeelden in te zien, wat inhoudt dat de inspectie:

a.     bij de politie camerabeelden mag opvragen;
b.     bij het bedrijf camerabeelden mag opvragen;
c.     van klanten of derde camerabeelden mag opvragen;

Lid 2

De bepalingen uit lid 1 zijn slechts van toepassing voor zover camerabeelden van een organisatie beschikbaar zijn.

Lid 3

Het Openbaar Ministerie verleent slechts toestemming voor de inzet van dit middel wanneer voldaan wordt aan de volgende eisen:
a.     er sprake is van een vermoeden dat een bedrijf een overtreding heeft begaan, niet zijnde een algemene overtreding bedoeld in artikel 151 WBV;
b.     er een redelijk vermoeden bestaat dat deze camerabeelden iets nuttigs laten zien of kunnen laten zien;

Artikel 113 WBV - Het doen van een algemene oproep
#

Lid 1

De inspectie mag een algemene oproep doen om bewijs of inlichtingen dan wel klachten te verkrijgen. Het doen van een algemene oproep houdt in:

a.     het plaatsen van mediaberichten in het algemeen of over een specifiek bedrijf;
b.     het vorderen van nieuwsverstrekkers om berichten te plaatsen op hun medium;

Lid 2

Het Openbaar Ministerie verleent slechts toestemming voor de inzet van dit middel wanneer voldaan wordt aan de volgende eisen:
a.     er sprake is van een redelijk vermoeden dat een bedrijf een overtreding heeft begaan, niet zijnde een algemene overtreding bedoeld in artikel 151 WBV;
b.     er een vermoeden bestaat dat een bedrijf een overtreding, niet zijnde een algemene overtreding, bedoeld in artikel 151 WBV, heeft begaan ten aanzien van meerdere gevallen;

Lid 3

Onder de bevoegdheden van lid 1 van dit artikel wordt niet verstaan:
a.     het plaatsen van berichten op media of door media waarbij de algemene rol van de inspectie wordt uitgelegd, dan wel waarbij een algemene oproep wordt gedaan om mogelijke overtredingen te melden, binnen een specifieke branche;

Maatregelen en sancties
#

        

Artikel 150 WBV - Verbod op automatische incasso
#

Lid 1

Indien de inspectie krachtens dit hoofdstuk een boete oplegt, is het haar niet toegestaan deze boete zonder uitdrukkelijke in kennisstelling van het te beboeten individu te laten voldoen via automatische incasso. Behalve die gevallen waarin strafrechtelijke middelen zijn ingezet en tot tweemaal toe geen effect hebben gehad, of waarvan de uitvoer voor twee maanden niet mogelijk is geweest.

Artikel 151 WBV - Algemene overtreding
#

Lid 1

Indien de inspectie enige overtreding van deze wet constateert die niet specifiek in een ander artikel gesanctioneerd wordt, kan zij de in dit artikel beschreven sanctie opleggen.

Lid 2

De op te leggen sancties voor deze overtreding zijn als volgt:
a.     het formeel waarschuwen van het bedrijf met een hersteltijd van minstens één week;
b.     indien herstel uitblijft een voorwaardelijke dwangsom afhankelijk van het toegestane boetebedrag met een hersteltijd van minstens één week;
c.     het opleggen van de dwangsom;
d.     het verhogen van de dwangsom met €100 per dag dat de overtreding na de oplegging van de dwangsom voortduurt, tot een maximum van het dubbele van het toepasbare boetebedrag.

Lid 3

Voor dit feit bedraagt de hoogte van de dwangsom €1.000;

Artikel 152 WBV - Overtreding van de veiligheidsvereisten
#

Lid 1

Indien de inspectie constateert dat een bedrijf niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een veilig bedrijf, zoals beschreven in artikel 1 WBV en/of artikel 2 WBV, kan zij de in dit artikel beschreven sancties opleggen.

Lid 2

De op te leggen sancties voor deze overtreding zijn als volgt:
a.     het formeel waarschuwen van het bedrijf met een hersteltijd van minstens één week;
b.     indien herstel uitblijft, een voorwaardelijke dwangsom afhankelijk van het toegestane boetebedrag met een hersteltijd van minstens één week;
c.     het opleggen van de dwangsom;
d.     het verhogen van de dwangsom met €250 per dag dat de overtreding na de oplegging van de dwangsom voortduurt, tot een maximum van het dubbele van het toepasbare boetebedrag.

Lid 3

Voor dit feit bedraagt de hoogte van de dwangsom €2.500;

Lid 4

De veiligheidsregio is zelfstandig bevoegd om de sancties bedoeld in lid 2 onder a toe te passen. Waarbij zij wel de plicht heeft de opgelegde sanctie te melden bij het Openbaar Ministerie.

Artikel 153 WBV - Onterechte goedkeuring bij een algemene periodieke keuring
#

Lid 1

Indien de inspectie constateert dat een bedrijf een voertuig met goed gevolg door de algemene periodieke keuring laat komen zonder dat dit op dat moment terecht was, kan zij de in dit artikel beschreven sancties opleggen.

Lid 2

De op te leggen sancties voor deze overtreding zijn als volgt:
a.     het formeel waarschuwen van het bedrijf met een maximale looptijd van één maand en/of het al dan niet gratis overdoen van de algemene periodieke keuring;
b.     additioneel mag een boete van ten hoogste €3.000 worden opgelegd;
c.     indien het overdoen van de algemene periodieke keuring is opgelegd en als gevolg van onwil dan wel onmacht vanuit het bedrijf minstens één week uitblijft, kan een voorwaardelijke dwangsom worden opgelegd van maximaal €3.000;

Lid 3

De boetes bedoeld onder lid 2 b en c mogen niet gestapeld worden, maar wel achter elkaar worden opgelegd. Echter, de boete bedoeld onder lid 2 onder b niet mag worden opgelegd na een boete onder lid 2 onder c.

Artikel 154 WBV - Fraude met algemene periodieke keuring
#

Lid 1

Indien de inspectie constateert dat een bedrijf een voertuig opzettelijk met goed gevolg door de algemene periodieke keuring laat komen zonder dat dit op dat moment terecht was, kan zij de in dit artikel beschreven sancties opleggen.

Lid 2

Wanneer deze overtreding één keer wordt begaan door een monteur die handelt uit eigen beweging, zijn de op te leggen sancties als volgt:
a.     het starten van een strafrechtelijk onderzoek naar de monteur die de keuring heeft uitgevoerd dan wel de eigenaar/eigenaren van het bedrijf, aangaande oplichting zoals beschreven in artikel 104 Sr.;
b.     additioneel wordt de eigenaar dan wel worden de eigenaren van het bedrijf formeel gewaarschuwd;
c.     Tevens kan een boete van maximaal €7.500 worden opgelegd aan het bedrijf;

Lid 3

Wanneer deze overtreding één keer wordt begaan door een monteur in opdracht of als gevolg van instructies van een eigenaar, dan wel wordt begaan door een eigenaar, zijn de op te leggen sancties als volgt:
a.     het starten van een strafrechtelijk onderzoek naar de monteur die de keuring heeft uitgevoerd dan wel de eigenaar/eigenaren van het bedrijf, aangaande oplichting zoals beschreven in artikel 104 Sr.;
b.     Additioneel kan een boete van maximaal €12.500 worden opgelegd aan het bedrijf;

Lid 4

Wanneer deze overtreding meermaals wordt begaan door monteurs in opdracht of als gevolg van instructies van een eigenaar, dan wel wordt begaan door een eigenaar, zijn de op te leggen sancties als volgt:
a.     het starten van een strafrechtelijk onderzoek naar de monteur die de keuring heeft uitgevoerd dan wel de eigenaar/eigenaren van het bedrijf, aangaande oplichting zoals beschreven in artikel 104 Sr.;
b.     Additioneel kan een boete van maximaal €25.000 worden opgelegd aan het bedrijf;

Lid 5

De boetes beschreven in lid 3 onder b en lid 4 onder b kunnen tevens worden opgelegd wanneer er geen sprake is van opzet, maar de foutieve goedkeuring het gevolg is van wanbeleid dan wel een gebrek aan bestuur vanuit het bedrijf;

Artikel 155 WBV - Het niet correct uitvoeren van de beveiligingstaak
#

Lid 1

Indien de inspectie constateert dat een beveiliger niet conform de beveiligingstaak heeft gehandeld, kan zij de in dit artikel beschreven sancties opleggen.

Lid 2

De op te leggen sancties voor deze overtreding zijn als volgt:
a.     het formeel waarschuwen van het bedrijf met een maximale looptijd van één maand;
b.     additioneel mag een boete van ten hoogste €10.000 worden opgelegd aan het bedrijf;

Artikel 156 WBV - Het verwijtbaar niet correct uitvoeren van de beveiligingstaak
#

Lid 1

Indien de inspectie constateert dat een beveiliger niet conform de beveiligingstaak heeft gehandeld, maar het bedrijf ook niet in bezit was van een geldige licentie voor beveiligers, kan zij de in dit artikel beschreven sancties opleggen.

Lid 2

De op te leggen sancties voor deze overtreding zijn als volgt:
a.     het opleggen van een voorwaardelijke dwangsom van €7.500 met een looptijd van één week;
b.     indien het bedrijf dan geen licentie toegewezen gekregen heeft, maar wel nog beveiligers in dienst heeft, wordt de dwangsom opgelegd;
c.     het verhogen van de dwangsom met €750 per dag dat de overtreding na de oplegging van de dwangsom voortduurt, tot een maximum van het dubbele van het toepasbare boetebedrag.

Artikel 157 WBV - Meervoudig weigeren van inspectie
#

Lid 1

Indien de inspectie meermaals een middel wil inzetten, maar dit niet kan omdat zij geweigerd wordt, kan zij de in dit artikel beschreven sancties opleggen:
a.     het formeel waarschuwen van het bedrijf, waarna na minstens één dag een nieuwe poging mag
b.     indien de weigering voortduurt, mag  een boetebedrag van €10.000 worden opgelegd;
d.     het verhogen van de dwangsom met €1000 per dag dat de overtreding na de oplegging van de dwangsom voortduurt, tot het maximale boetebedrag van €30.000 is bereikt;
e.     het laten arresteren van ieder die de inspectie weigert voor het overtreden van artikel 20 Sr.;
f.     het herhalen van de procedures, beginnende vanaf lid 1 onder b;

Artikel 160 WBV - Openstaande boete
#

Lid 1

Indien een boete in zijn maximale omvang is opgelegd en betaling langer dan een week duurt, mag tegen één of alle eigenaren van dat bedrijf of het individu tegen wie een boete geëist is een strafrechtelijke procedure worden gestart aangaande wanbetaling van een openstaande boete, zoals beschreven in artikel 191 Sr.

Artikel 161 WBV - Het intrekken van licenties
#

Lid 1

Naast alle bepalingen omtrent sancties in dit hoofdstuk is de inspectie bevoegd om licenties die van toepassing zijn op de overtreding in te trekken. Mits:
a.     een overtreding binnen 3 maanden meermaals is geconstateerd bij een bedrijf;
b.     dan wel wanneer een overtreding een ernstig karakter heeft, waardoor het intrekken in het maatschappelijk belang is;

Artikel 162 WBV - Voortdurende overtreding
#

Lid 1

De inspectie mag aannemen dat een overtreding voortduurt, tenzij:
a.     verzocht wordt de keuring opnieuw te doen, omdat de geïnspecteerde meent dat de overtreding is verholpen;
b.     ook in de gelegenheid wordt gesteld om het herstel te controleren;
c.     na controle moet concluderen dat een eventuele herstelpoging onvoldoende is geweest en de overtreding dus doorloopt;

Bezwaar tegen inspectie
#

        

Artikel 170 WBV - Verzoek tot heroverweging
#

Lid 1

indien de inspectie naar mening van de gesanctioneerde een sanctie oplegt die te zwaar of niet passend is. Dient zij dit bij de inspectieambtenaar die de sanctie heeft opgelegd kenbaar te maken via een verzoek tot heroverweging.

Lid 2

Dit verzoek bevat:
a.     om welke overtreding het gaat;
b.     welke sanctie is opgelegd;
c.     een motivering waarom deze te zwaar dan wel ongepast is.

Lid 3

De inspectie ambtenaar neemt het verzoek tot heroverweging in behandeling en laat binnen redelijke tijd weten of de oude sanctie wordt gehandhaafd, naar wat deze wordt aangepast of waarom deze wordt opgeheven. Indien nodig specificeert de inspectieambtenaar daarbij ook eventuele voorwaarden, zolang deze vallen binnen de wettelijke kaders.

Artikel 171 WBV - Herziening
#

Lid 1

Een herziening mag alleen worden aangevraagd wanneer:
a.     een verzoek tot heroverweging niet of onvoldoende geslaagd is, waardoor er een sanctie is opgelegd die het bedrijf of het individu onnodig bestraft;
b.     wanneer een bedrijf of individu van mening is dat er een sanctie is opgelegd die in strijd is met de wet.

Lid 2

Dit verzoek bevat:
a.     om welke overtreding het gaat;
b.     welke sanctie is opgelegd;
c.     welke ambtenaar deze heeft opgelegd;
c.     een motivering waarom deze te zwaar dan wel onwettig is.

Lid 3

Een andere inspectieambtenaar die bevoegd is sancties op te leggen, neemt het herzieningsverzoek in behandeling. Deze laat binnen redelijke termijn weten of de sanctie in stand wordt gehouden, wordt aangepast of ongeldig wordt verklaard.

Lid 4

Een onwettige sanctie hoeft niet tot niet-ontvankelijkheid voor de overtreding te leiden. Een wettige sanctie opleggen is voldoende. Tenzij de onwettige sanctie het gevolg is van grove nalatigheid van de originele inspectieambtenaar.

Artikel 172 WBV - Beroep
#

Lid 1

Er mag beroep worden ingesteld tegen:
a.     een herzieningsverzoek waarbij een vermeende onwettige sanctie in stand gelaten is.

Lid 2

Beroep wordt aangevraagd bij de rechtbank van Nederbeek als zijnde een civiele procedure.